Schoolvakantie in de Gordel van Smaragd

Uit: Een noken vol herinneringen

De Nederlandse vakantiegangers, die met de auto naar buitenland gingen, werden door de ANWB gewaarschuwd om op zaterdag 28 juli de Franse wegen te mijden.
Deze zaterdag wordt ‘zwarte zaterdag’ genoemd. Zwart is de kleur die door de organisatie Bison Futé wordt toegewezen aan dagen waarop het verkeer erg druk is. Honderden kilometers files richting de zonnige zuiden. Miljoenen mensen verplaatsen zich in de zomer. Binnen Europa zijn er géén grenzen meer. Iedereen gaat op vakantie het liefst zover mogelijk. Vrienden en bekenden waaien wekenlang uit naar alle hoeken van de wereld: Bali, China, Australië of Verenigde Staten van Amerika…….

Files waren anno 1955 in Merauke, op de voormalige Ned. Nw-Guinea, helemaal niet. Op de ongeasfalteerde wegen van het stadje reden slechts een paar auto’s rond. Ik was toen 11 jaar. Net als in alle Nederlandse koloniën, waren de scholen in de maanden juli en augustus dicht.
Het verschil met Nederland was, dat men daar nooit ‘op vakantie’ gaat. Gebrek aan geld en de voorzieningen ervoor waren er niet. De hele schoolvakantie bleef je thuis.
Alleen de Nederlanders in Rijksbetrekking mochten eens in de zoveel tijd, op kosten van de regering, met groot verlof naar Nederland.
Omdat mijn vader en moeder bij het onderwijs zaten, waren zij allebei thuis. Alleen op zondagen, en eventueel in de avonduren had mijn vader nog werkzaamheden als predikant, die hij voor zijn gemeente moest doen.
Deze vrije dagen werden dan ook benut om allerlei klussen in en om het huis te klaren. Bij ons thuis moest iedereen een handje helpen.

Mijn tuintje
Zelf had ik een eigen tuintje van ongeveer 50 vierkante meter.
Tuinieren, behoorde tot één van de vaardigheden, die wij als padvinders moesten beheersen. Ik was toen gids bij de welpen.
In mijn tuin was ik vaak te vinden. Ik plantte behalve bloemen ook verschillende soorten groenten zoals aubergine, tomaten en diverse soorten kolen.
Voor de afwisseling plantte ik ook cassave, zoete aardappelen en aardnoten.
Mijn vader zei dat het goed was voor de grond.
Omdat het altijd warm en droog was, gaf ik de planten in de namiddag water.
Dat was wel intensief werk. Ik moest eerst het water ‘putten’ met een emmer, waar aan een touw was vastgemaakt. Het water naar de tuin brengen en de planten met een gieter besproeien. Tuinslang bestond toen (daar) nog niet.
Steeds weer herhalen totdat al de planten genoeg water kregen.

Mijn moeder en ik in mijn tuin, tussen de tomatenplanten.

Mee op jacht
Soms vroeg mijn vader mij of ik mee ging op jacht. Een Timorese jongen Abner Ndoen, die bij ons woonde mocht ook mee. Abner is ongeveer even oud als ik. Dan was het voor ons, feest. Meegaan op jacht …. wat een avontuur, wie zou zo’n aanbod afslaan.Mijn vader had een dubbelloopsgeweer. Behalve de kogels en hagels kon hij de patroonhuizen, buskruit, viltproppen en slaghoedjes bij een toko *** kopen.

De kogels moesten wij zelf maken. Ze werden van lood gemaakt. Bij het omploegen van onze tuin hadden wij in de grond, loden telefoonleiding uit de 2e WO gevonden.

De Australiërs hadden deze leidingen toen aangelegd en na de oorlog waren zij blijven liggen.
Tientallen meters hadden wij opgegraven en kwamen nu goed van pas.
De gesmolten lood werd gegoten in 20 cm lange ronde bamboe-mal met een doorsnede van ca. 1 cm. Als mal namen we een bamboesoort, die ook gebruikt werd voor het maken van bamboe fluit.

De bamboe werd later open gespleten en de lange loden staafje van ca. 25 cm sneden we in kleine stukken. Met een hamertje tikten we de kleine stukken lood tot ronde kogels.
Het patroonhuis kon dan gevuld worden. De buskruit ging als eerst in het patroonhuis daarna de kogels. Deze stevig aandrukken en dicht stoppen met een viltprop.
Als laatste werd het slaghoedje aan de onderkant van het patroon geplaatst…. voila  klaar voor het gebruik.

Voor eendenjacht, vulden we de patroonhuizen met hagels (veel kleiner dan de kogels, wel lastig om te maken).

In de maanden juli en augustus was het het jachtseizoen voor herten open.
Bij de toko kochten we de voorraad eten voor 4 dagen en speciale zout in.
Voorraad eten bestond uit rijst, suiker en thee. Het speciale zout is bestemd om het vlees mee te verwerken zodat het langer houdbaar blijft.

*** toko is een (meestal) chinees winkel, waar men van alles en nog wat kan kopen.
Men kon ook op de ‘pof’ kopen. Dat betekent dat alles wat je koopt genoteerd wordt en eens per maand kan je de rekening betalen.

Abner en ik haalden de paarden van het weiland en maakten ze rijklaar. Ieder, een eigen paard.
We hadden thuis 5 paarden. Eén van mijn taken was het verzorgen van paarden.
De paarden liepen los op ons terrein, dat met prikkeldraad was omheind. Een paar keren per dag dreef ik de paarden naar de put om ze te drenken.

Na een paar uren rijden kwamen we in het jachtgebied.
Het landschap in het zuidelijk deel van Nw-Guinea is vlak, half regenwoud half laagland-savanne.

De savannebegroeïng zijn o.a. Australisch gras (microlaena stipoides), acacias- en eucalyptusbomen. Bij de overgang van laaglandsavanne naar tropisch regenwoud zijn vaak de ideale plaatsen om te kamperen.
We zochten een plek in de buurt waar bamboeplanten groeiden want daar was het meestal ook water. We namen natuurlijk wat drinkwater mee.
Maar in geval van nood, kunnen wij het water, dat in de bamboe tussen de schotten bevinden ook drinken.

Door de aanwezigheid van water is de grond vaak zacht, een ideale plaats voor de wilde zwijnen om voedsel te zoeken. De jonge bamboespruiten zijn behalve voor de mens, ook een lekkernij voor de zwijnen.

Met bamboes en (bamboe)bladeren maakten we een hutje en onze slaapplaatsen.
Heel vroeg in de ochtend, een paar uren voordat de zon opkwam, pakte mijn vader zijn geweer en zaklantaarn, waarin zes batterijen in zaten en sloop geruisloos weg.
Abner en ik bleven alleen en probeerden te slapen, wat ons in het begin niet lukte.

Het was pikdonker in het bos, het geritsel van de bamboe-bladeren door de wind en onbekende dieren- geluiden brachten ons tot wilde, enge fantasieën….. “Stil blijven liggen” zeiden we en kropen dicht tegen elkaar aan.

Een paar uren voordat de zon opkwam, ontwaakte het oerwoud.
Dan kwamen de dieren uit hun slaap en begonnen met hun missie: ‘eten zoeken’.
De vogels zongen…… het ene lied beantwoordde het andere, naar mate het lichter werd, werd het drukker. Tussen het 50 cm hoge Australisch gras zagen we twee kangoeroes naar elkaar toe huppelen. Ze gaven elkaar de korte voorpoten en sprongen in het rond alsof ze een dansje deden.

De ochtendlucht rook fris en bevatte veel zuurstof. …. we stonden op, rekten ons uit en haalden diep adem….
Plotseling klonk een schot! en dan … nog één!…Dat moet van mijn vader zijn.
We renden op het geluid af. Ja, daar liep hij, tussen de bomen. Op zijn rug, aan het gewei te zien, is het een hert. De hinde echter hebben geen gewei.

Op ons kamp werd het hert aan een laaghangend tak van een boom gehangen.
En het werk kan beginnen. Eerst villen, daarna uitbenen. Het vlees legden we op de werktafel, die we van bamboe maakten (para-para). Met een vlijmscherp mes sneden we het vlees in dunne plakken.
We smeerden de plakken in met speciale zout en legden op een andere para-para uit, om in de zon te drogen. Dit is een manier om vlees te kunnen bewaren in de tropen.
Regelmatig, moesten we het vlees omdraaien om te zorgen, dat aan beide kanten goed droog werd.
Gedroogd vlees noemt men: dendeng. Men kan het vlees ook bewerken met speciale suiker en kruiden o.a. komijn, dendeng manis (=zoet).

Het bewaken van het vlees was een serieuze taak want er waren genoeg kapers in de buurt. Vanuit de nabije boom gluurden raven naar de lekkernijen.
Natuurlijk gaven we de vogels geen kans om in de buurt van de para-para te komen.
Met onze zelf gemaakte pijl en boog hielden wij ze op afstand, alsof ons leven ervan af hingen.

Na enkele dagen hard werken, was het tijd om naar huis te gaan. Twee jutezakken vol met gedroogd vlees was onze buit. Genoeg vlees voor enkele maanden.
Als men gedroogd vlees wilt bereiden, weekte men eerst in warm water, waardoor het wat zachter wordt en dan pas klaarmaken.

Kota Rusa
Merauke, Zuidelijk deel van nu Papua is een gebied dat rijk is aan wild. Wilde zwijnen en kangoeroes en kasuarissen behoren tot de oorspronkelijke bewoners. De herten waren begin 20ste eeuw uitgezet. Omdat in Nieuw-Guinea geen wilde dieren leven, die voor de herten een bedreiging zijn, kunnen deze in een zeer korte tijd goed gedijen.

De stad Merauke werd daarom ook genoemd “Kota Rusa” (Stad van de herten).

Naar Startpagina

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s