Speciale dank aan dr. Mariëtte van Selm

Mijn speciale dank aan dr. Mariëtte van Selm voor het beschikbaar stellen van het artikel: “De nieuwe adat” aan Ahiolo-Weblog.
Een heel belangrijke aanvulling op de TNS-geschiedenis.

Dr. Mariëtte van Selm studeerde geschiedenis aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. Op onderstaande bronnenpublicatie promoveerde Mariëtte van Selm in 2003.

Protestantse kerk op de Banda-eilanden
Deze bronnenstudie vormt een onderdeel van een reeks van 5 delen over de Molukse kerk: twee delen over de kerk in de periode van de VOC, twee delen over kerk en zending in de 19de eeuw en dit deel over een specifieke kerk: die van Banda in de 19de eeuw.
Daarnaast zullen nog kleinere studies verschijnen over de Molukse kerk op afzonderlijke eilanden als Ternate, Halmaheira, Buru, etc. Door de oorlog in de Molukken liep het onderzoek vertraging op, maar des te verheugender is het dat deze bronnenuitgave over de Molukse kerk in de 19de eeuw gepubliceerd is.

Protestantse kerk op Bandaneira

De documenten die in deze delen zijn opgenomen zijn uniek, zij zijn afkomstig uit het Nationaal Archief te Den Haag, het Nationaal Archief te Jakarta, verschillende overheids- en zendingsarchieven in Engeland, en uit de zendingsarchieven van de vroegere Raad voor de zending van de Nederlandse Hervormde Kerk te Oegstgeest.

De uitgaven betreffende de Molukken in de Grote Reeks van de Werkgroep geschieden onder eindredactie van prof. P.N. Holtrop, prof. dr G.J. Schutte en dr Th. van den End.

Protestantse kerk op de banda-eilanden
Auteur: Dr. Mariëtte van Selm
Uitgever: Boekencentrum Uitgevers, Zoetermeer
Medium: Boek
EAN: 9789023917823
ISBN: 9023917820 / 90-239-1782-0

Hieronder het E-mail bericht van  Dr. Mariëtte van Selm op 27 februari 2008

Onderwerp: TNS

Geachte mijnheer Lekransy,

Bij toeval kwam ik deze week op uw weblog Welcome to Ahiolo terecht, waar ik las wat u in 2005 allemaal uit boeken en websites heeft weten op te duiken over de geschiedenis van Teun, Nila en Serua. Ik neem mijn petje voor u af, want ik weet uit ervaring dat het moeilijk is om iets over de geschiedenis van deze eilanden en hun bevolking te vinden.
Ik was er namelijk, notabene omstreeks dezelfde tijd dat u erover schreef op uw weblog, ook naar op zoek voor een artikel in een boek.
Ik heb dat artikel vooral gebaseerd op informatie die ik in archieven over Banda vond tijdens het onderzoek voor mijn proefschrift over de Protestantse Kerk op de Banda-eilanden in de 19de eeuw. Misschien vindt u het aardig om mijn artikel over TNS te lezen, ik stuur het u hierbij als pdf-bestand toe.

Met vriendelijke groet,

dr.Mariëtte van Selm
Projectmedewerker Indisch Knooppunt
http://www.hetindischknooppunt.nl
Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde (KITLV)
Postbus 9515
2300 RA Leiden
071 5274822

De nieuwe adat (1)

Naar Startpagina

De nieuwe adat (1)

Christendom en onderwijs op Teun, Nila en Serua (Oost-Indonesië)
in het begin van de twintigste eeuw.

Door:dr. Mariëtte van Selm

Hun namen veranderden in de loop der tijd niet of nauwelijks. Francois Valentijn noemde ze in 1726 Teuw, Nila en Ceroewa. Negentiende eeuwse bestuurders hanteerden de Moluks-Maleise namen Teoen, Nila en Seroe(w)a. Op hedendaagse kaarten van Oost-Indonesië worden ze vermeld als Teun, Nila en Serua. Deze eilandjes, stuk voor stuk niet groter dan enkele kilometers in doorsnee, zijn kleine stipjes in de Oost- Indonesische Bandazee. Ze maken deel uit van de zogenaamde Binnen-Banda-boog: een reeks van eilanden die van Wetar over Roma en Damar noordwaarts naar de Banda-eilanden loopt.
De bodem van deze eilanden bestaat uit vulkanisch gesteente: vruchtbaar, maar in het geval van Teun, Nila en Serua ook gevaarlijk.
Vanwege een dreigende vulkaanuitbarsting liet de Indonesische overheid de gehele bevolking van deze drie eilandjes circa 5.000 mensen in de tweede helft van de jaren zeventig van de vorige eeuw naar de zuidkust van Seram (Midden Molukken) verhuizen. Daar vormt Teun-Nila-Serua (afgekort: TNS) sindsdien een apart sub-district, terwijl de eilanden zelf onbewoond achtergebleven zijn.

De Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) lijkt voor Teun weinig belangstelling te hebben gehad. Serua en Nila daarentegen werden gedurende de zeventiende eeuw een aantal malen met militaire expedities bezocht. Omdat de VOC in het kader van haar specerijenmonopolie besloten had om op uitsluitend de Banda-eilanden
de teelt van nootmuskaat en foelie toe te staan, moesten alle nootmuskaat-bomen elders in de Molukken worden vernietigd.
Door deze extirpatiepolitiek zouden eilanden waar extirpatie had plaatsgevonden onaantrekkelijk worden voor concurrerende westerse mogendheden en werd een kunstmatige schaarste gecreërd die de prijs van de specerijen opdreef.
De vernietiging van nootmuskaat-bomen beroofde de bevolking van Nila en Serua van een belangrijk ruilmiddel voor regionale handel, maar verzet tegen de militaire overmacht van de VOC was weinig succesvol. Nadat een experiment met de export van zwavelrijke aarde van Nila, door de VOC ook wel Zwavelberg genoemd, vanwege gebrek aan raffinagemogelijkheden op Banda was gestaakt, raakten Serua en Nila in vergetelheid.

De zwavelberg van het eiland Nila

In de eerste helft van de negentiende eeuw mochten de ‘Zuidwestereilanden’ zo genoemd vanwege hun ligging ten opzichte van de Banda-eilanden, zich in hernieuwde aandacht van het koloniaal bestuur verheugen. Die belangstelling concentreerde zich echter op de grotere eilanden: Kisar, Wetar, Leti, Moa, Babar en Damar. Deze eilanden werden door gouvernementsambtenaren aangedaan op hun inspectiereizen en op deze eilanden vestigden zich zendelingen die door het Nederlands Zendelinggenootschap (NZG) waren uitgezonden.

De drie kleine eilandjes verderop in de Bandazee, ten noordoosten van Damar, bleven buiten beschouwing. Dat vond niet in de laatste plaats zijn oorzaak in het klimaat. Tussen december en april was de Bandazee rondom Teun, Nila en Serua uiterst moeilijk bevaarbaar. De krachtige westmoesson veroorzaakte in die periode hevige stormen en zware regen- en onweersbuien.
Na een korte kenteringsperiode trad in april of mei de tweede natte periode in, waarin de overigens minder heftige oostmoesson het voor het zeggen had. Van augustus tot november werd het heet en droog, waarna in december de westmoesson opnieuw losbarstte. De moessons verhinderden de bevolking van met name Nila en Serua niet om uit te varen naar omringende eilanden.

Naar Startpagina

De nieuwe adat (2)

Christendom en onderwijs op Teun, Nila en Serua (Oost-Indonesië)
in het begin van de twintigste eeuw.

Door: dr. Mariëtte van Selm

De resident van Banda, onder wiens bestuur Teun, Nila en Serua formeel ressorteerden, rapporteerde in 1830 over Nila: “Het volk nog op den huidigen dag in eenen volmaakten wilden staat daarhenen levende, voedt zich bij ontbering van het geringste kleed, dan alleen het schortje tegen den onderbuik vastgemaakt, met raauwe bladen en putréfiante visch. (1)

Hetzelve is zeer handelbaar, jaarlijksch komen alhier eenige vaartuigen van dezelven ten handel. Elk vaartuig heeft doorgaans de geheele negorij, bestaande uit 40 – 50 manschappen, aan boord. De artikelen voor den ruilhandel bestemt, zijn altoos orembaijen, van verschillende grootte, welke voor de besten van den geheelen archipel gehouden worden; voorts varkens, bokken en geiten, uijen, koening (2) en gember enz., waarvoor zij gaarne wapens als parrangs en hakmessen, ook grove lijwaden, waarmede zij weder op de omliggende eilanden hun winst doen, in ruiling ontvangen. Van eenen gelijken stempel is dat van Seroea, hetwelk in alles, als levenswijze, huishouding en handel, met eerstgenoemde veel overeenkomst heeft. Beiden natiën spreken afzonderlijke talen, beiden beminnen tot overmaat toe de arak (3).

Het bewerken van klappernoten

In latere jaren werd gemeld dat van de ‘Serua-eilanden’ naast prauwen en kleinvee ook grote hoeveelheden klappernoten op Banda werden aangevoerd.
Soms ook vestigden bewoners van Serua zich tijdelijk op de Banda-eilanden, om daar inkomsten te verwerven als arbeider in één van de nootmuskaatperken of als visser.

Begin 1858 rapporteerde de toenmalige resident van Banda over hen:
De heidenen die op de Banda-eilanden gevonden worden, zijn inlanders van de Baber-, Seroea- en Tenimbereilanden. Zij zijn in den regel achterblijvers van de jaarlijks van die eilanden hier ten handel komende praauwen en veel ijveriger dan de christenen of mohamedaansche burgers, zoodat zij in den regel niet naar hunne haardsteden terugkeeren dan na eenig geld bespaard te hebben.
Stil en ordelijk, niet behebt met de ondeugden der burgers dezer residentie, steken zij gunstig bij deze af en is hun verblijf alhier niet alleen nuttig, maar ware het wenschelijk dat zij tot vaste nederzetting in grootere getale op de Banda- eilanden konden worden overgehaald. Daar zij echter allen na korteren of langeren tijd weder huiswaards keeren, is het niet te veronderstellen dat pogingen daartoe met gunstigen uitslag zullen worden bekroond”.

Het dorp Bumei

Huiswaarts wilde zeggen: terug naar één van de dorpen op Teun, Nila of Serua.
Teun telde in het begin van de twintigste eeuw in elk geval vier dorpen: Layeni, Mesa, Yafila en Watludan. Op Nila lagen Rumdai, Bumei, Siplono en Wotai. Op Serua bevonden zich Jerili, Lesluru, Terana en Waru.

Doordat gedetailleerde kaarten van de eilanden ontbreken, is onbekend waar elk dorp zich precies bevond. Traditioneel lagen dorpen in de ZuidOost-Molukken op goed verdedigbare plaatsen als heuveltoppen en kapen. Op bevel van het koloniaal bestuur vestigde de bevolking zich in nieuwe dorpen aan de kust, die voor het koloniaal bestuur beter controleerbaar waren. Het dagelijks bestuur van de eilanden was in handen van orang kaya en kepala soa, lokale hoofden.

(1) Rotte vis
(2) kunyit, kurkuma wortel, in fijngemalen vorm gebruikt bij de bereiding van rijst en vis.
(3) brandewijn, gestookt van rijstwater of palmsap

Naar Startpagina

De nieuwe adat (3)

Christendom en onderwijs op Teun, Nila en Serua (Oost-Indonesië)
in het begin van de twintigste eeuw.

Door: dr. Mariëtte van Selm

Aan het einde van de negentiende eeuw deed het christendom (opnieuw) zijn intrede in de Zuidelijke Molukken. Drijvende kracht achter deze uitbreiding van het christendom waren de predikanten van de Indische Kerk op Ambon, die daarin gesteund werden door het bestuur over de Protestantse Kerk in Nederlands-Indië te Batavia.
De inlandse jongens die al sinds jaar en dag op Ambon werden opgeleid tot godsdienstonderwijzer en gemeentevoorganger werden niet langer uitsluitend in (bestaande) gemeenten in de Midden-Molukken geplaatst, maar verschillenden van hen werden uitgezonden naar de Zuidwester- en Zuidoostereilanden.

Op Kisar, Leti, Tanimbar en Aru, later ook op de Kai-eilanden en Babar, werden hulppredikers geplaatst, die toezicht hielden op de inlandse gemeenten in hun ressort. Eenmaal per jaar kwamen de hulppredikers, onder leiding van één van de Ambonse predikanten, in conferentie bijeen om de stand van kerkelijke zaken in de Midden- en Zuid-Molukken te bespreken.
Voor de bekostiging van één en ander werd een beroep gedaan op het gouvernement, op bestaande gemeenten en op de nieuwe gemeenten zelf. Het gouvernement verschafte de hulppredikers een traktement en subsidieerde het door de guru gegeven onderwijs als dat door ten minste tien leerlingen werd gevolgd.

Protestantse kerk op Bandaneira

Van de nieuwe gemeenten zelf werd in elk geval verwacht dat zij hun guru van woonruimte voorzagen en een schoolgebouwtje oprichtten. Overige kosten, zoals die van lesmateriaal voor het godsdienstonderwijs en benodigdheden voor de eredienst, werden gedragen door bestaande gemeenten in de (Midden-)Molukken.
Daartoe werden op verschillende plaatsen zendingsverenigingen en evangelisatiefondsen opgericht.

Op Ambon werd een Centraal Evangelisatiefonds in het leven geroepen.
Ook de kerkenraad van Banda-Neira verklaarde zich, daartoe door het kerkbestuur aangespoord, bereid om bij te dragen in de kosten van het zendingswerk in de Zuidelijke Molukken.
In 1894 besloot de kerkenraad om per kwartaal ƒ 100,00 omgerekend naar hedendaagse koopkracht ruim € 1.100,00 ter beschikking te stellen. De Ambonse predikanten deden de kerkenraad de suggestie om dit bedrag te besteden aan de bekostiging van twee godsdienstonderwijzers op respectievelijk Teun en Serua. De menschen van Saroea komen zeer vaak te Banda, zoodat ook op die wijze door u kan gecontroleerd worden welke vruchten het school- en godsdienstonderwijs op die eilanden afwerpt, zo luidde de motivering.

Gedenksteen van de Protestantse kerk op Bandaneira

In het besluit van de gouverneur-generaal van Nederlands-Indië van 7 februari 1900 No 46 (Bijblad No 5481) werd het geven van geestelijke leiding aan de inlandsche christenen op Teun, Nila en Serua echter nog opgedragen aan de hulpprediker in het verre Waai (Ambon).
Pas vanaf 1914 was sprake van een officiële band tussen de Banda-eilanden enerzijds en Teun, Nila en Serua anderzijds.

In dat jaar werden de drie eilanden aan het ressort van de predikant vanaf 1917: hulpprediker van Banda toegevoegd. Hij diende de gemeenten op Teun, Nila en Serua tweemaal per jaar te bezoeken voor een inspectie van de scholen en de bediening van doop en avondmaal.

Ook voerde hij de financiële administratie, de inning en uitbetaling van subsidies, traktementen en collecten van de gemeenten en scholen op de drie eilanden.
Met de inspecteur voor het inlands onderwijs correspondeerde hij over de verlening van subsidies en de toestand van het schoolonderwijs.

In overleg met de predikant-voorzitter van de commissie van hulppredikers te Ambon zorgde hij voor de (over)plaatsing van guru jemaat op Teun, Nila en Serua.
Er moest worden gewoekerd met mankracht. In de Zuidelijke Molukken waren veel meer dorpen van een guru te voorzien dan aspirant-onderwijzers met goed gevolg de examens aflegden. Alleen Jerili (1908), Bumei (1910), Layeni (1913) en Rumdai (1914) hadden al in een vroeg stadium een eigen voorganger-onderwijzer
gekregen. Hun aanstelling was mede vanwege het tekort aan onderwijzers vaak van langere duur.

De ‘inlandse’ jongens, werden op Ambon opgeleid tot godsdienstonderwijzer en gemeente voorganger. ( mijn vader staat rechts vooraan op de foto, voor de kijkers links).

Guru jemaat van Jerili (Serua) C.M. Haullussy, die eerder als guru jemaat op Kisar en Wetar werkzaam was geweest, spande de kroon: hij bearbeidde Jerili en nabijgelegen dorpen maar liefst dertien jaar (1908-1921).
Maar ook de ambtstermijnen van anderen waren respectabel: D.J. Soplanet, eerder guru jemaat op Damar, stond van 1913 tot 1921 aan het hoofd van kerk en school te Rumdai (Nila). In Bumei, op hetzelfde eiland, werkte van 1916 tot 1923 inlands leraar J.A. Latumahina.

Layeni op Teun werd in die periode bediend door guru jemaat D. Heumassy (1916-1922).
Haullussy en Heumassy droegen overigens op hun eigen wijze een steentje bij ter opheffing van het tekort aan onderwijzers: Haullussy leidde één, Heumassy twee eigen zoons tot onderwijzer op.

In hun werk werden de guru jemaat bijgestaan door tua agama, letterlijk vertaald: geloofsoudsten. Zij werden op verzoek van de hulpprediker van Banda, die zijn verzoek doorgaans baseerde op een voordracht van de guru jemaat, aangesteld door de predikant-voorzitter van de commissie van hulppredikers op Ambon.
In dorpen die (nog) geen eigen guru jemaat hadden, fungeerden de tua agama als de ogen en oren van de guru jemaat in het naburige dorp.
Zij hielden mede toezicht op het zedelijk gedrag van gemeenteleden en het schoolgaan van kinderen.
Ook werden op enkele plaatsen diakenen, syamas, aangesteld.

In het schoolonderwijs kregen de guru hulp van vrijwilligers, kwekelingen en kandidaat-hulponderwijzers. Dit waren doorgaans jongens die van de eilanden zelf of van naburige eilanden afkomstig waren en enkele jaren op een school op Teun, Nila of Serua werkten alvorens op Ambon het examen tot kwekeling of hulponderwijzer bij het inlands onderwijs af te leggen.

Naar Startpagina

De nieuwe adat (4)

Christendom en onderwijs op Teun, Nila en Serua (Oost-Indonesië)
in het begin van de twintigste eeuw.

Door: dr. Mariëtte van Selm

Vanwege het tekort aan onderwijzers kon het gerucht dat een guru jemaat om overplaatsing naar een ander eiland had gevraagd voor grote onrust zorgen.
Watludan op Teun had geruime tijd op een eigen guru moeten wachten, maar dreigde zijn net verkregen onderwijzer snel weer kwijt te raken. Om dat te voorkomen, deed de orang kaya van Watludan in juli 1922 een beroep op hulpprediker van Banda A.N. Binkhuysen.

Dengan beriboe-riboe hormat dan kerendahan maka hamba orangkaja Watloedan serta toeagama dan djamaat, datang dengan soerat ini pada toean jang Moelia.
Dan menjatakan peri kehidoepan goeroe kami jang baik, pada toean jang Moelia; ia itoe goeroe kami tahoe merindahkan diri bawah orang; lagi radjin didalam bekerdjaan tida boeang satoe hari lagi. Dan lagi kami lihat goeroe-goere jang datang di poelau Teon minum sopi dan segeroe; tapi kami poenja goeroe tida tahoe paminoem atau tida tahoe minoem barang jang kering.

Tagal dia datang di Teon baroe kami orang Teon semoea melihat peri kelakoean jang baik itoe dan adat jang baharoe itoe, djadi sekarang kami semoea dipoelau Teon soedah moelai toekar adat kami jang doeloe itoe, djadi soedah moelai baik tagal kami poenja goeroe jang toendjoek itoe; djadi sekarang soedah moelai bersih.
Lagi orang maki kami poenja toean goeroe tida marah, maski orang bilang dia bermoeka tidak marah mengakoe sadja lagi bilang pentjoeri mengakoe sadja, karena dia mengadjar kami katanja maski orang maki kami jang marah, asal tahoe sadja engkau benar dihadapan Allah; karena toehan Isa kami atau kepada djamaat tida tahoe marah, djadi kami djoega djangan marah lagi. Tagal itoe kami minta beriboe-riboe ampoen dari toean jang Moelia, kami tjinta kami poenja goeroe sampai mati; kami poenja goeroe maoe pergi di Nila, tapi kami tahan dia, karena kami tjinta dia poenja baik; lagi ia larang kami djangan kerdja pada hari Minggoe djadi kami toeroet, lagi hari empat poekoel 4 kami masoek perhimpoenan djamaat lagi.

De vertaling: is van de hand van dr Th. van den End
Met duizendvoudig eerbetoon en onderdanigheid kom ik, orang kaya van Watludan, alsmede de tua agama en gemeente middels deze brief tot u, om een verklaring af te leggen omtrent de levenswijze van onze guru. Hij is nederig in de omgang met de mensen en ijverig in zijn werk; geen dag vergooit hij. Wij hebben gezien dat de guru die op Teun kwamen werken brandewijn en sagower dronken, maar onze guru drinkt niet en neemt geen sterke drank. Pas doordat hij op Teun gekomen is, zagen wij, lieden van Teun, de nieuwe levenswijze en de nieuwe adat.
Daardoor zijn wij allen op Teun begonnen onze oude adat te verwisselen. We hebben een guru die laat zien hoe het moet, komt het goed; nu wordt er schoonmaak gehouden.

Verder wordt onze guru niet boos als de mensen hem uitschelden; al zeggen ze dat hij overspelig is, wordt hij niet boos en geeft het toe; zeggen ze dat hij een dief is, hij geeft het toe, want hij heeft ons geleerd: al schelden de mensen ons uit, word niet boos, als je maar weet dat je rechtvaardig bent voor God, want de Here Jezus is ook nooit boos op ons of op de gemeente; daarom moeten ook wij niet boos zijn.
Daarom vragen we UEdele duizend maal om vergiffenis: wij houden van onze guru tot in de dood; onze guru wil naar Nila gaan, maar wij hebben hem tegengehouden, want wij houden van hem omdat hij goed is.
Hij heeft ons ook verboden op zondag te werken, dus dat verbod volgen wij. Verder komen wij op woensdag om vier uur in de middag ook in de gemeentesamenkomst.

In het dorpje Bumei

Het is mogelijk dat Albert Kelpitna, de kwekeling die de brief schreef, de orang kaya influisterde wat de hulpprediker op Banda welgevallig zou zijn om over het Christendom in Watludan te horen.
Positieve berichten zouden voor de positie van Kelpitna geen kwaad kunnen, aangezien niemand anders dan hijzelf de beschreven guru was.
Mogelijk ook had Kelpitna gedreigd om terug te keren naar Nila, hij was van juni 1919 tot eind 1922 als kwekeling te Rumdai werkzaam geweest. Als de inwoners van Watludan in hun levenswandel niet meer blijk zouden geven van waardering voor het bezit van een eigen onderwijzer en gebruikte Kelpitna de brief om nog eens uiteen te zetten hoe die levenswandel eruit moest zien.
Hoe dan ook, de brief geeft een gedetailleerd beeld van wat kenmerkend werd gevonden voor een christelijke levenswandel: nederigheid, ijver, geheelonthouding, zelfverloochening, huwelijkstrouw, respect voor de eigendommen van anderen, rechtvaardigheid voor God, zondagsheiliging en het bijwonen van bijeenkomsten van de christelijke gemeente.

Soortgelijke thema’s komen naar voren in andere brieven van guru jemaat op Teun, Nila en Serua.
De komst van een nieuwe adat leidde, althans volgens de verslagen die de verschillende guru jemaat aan de hulpprediker op Banda uitbrachten, niet tot grote conflicten.
Alleen te Waru (Serua) moesten schoolonderwijs en catechisatie enige tijd worden gestaakt nadat een kwekeling, de orang kaya tegen zich in het harnas had gejaagd door eigenmachtig de afmetingen van het voor hem te bouwen huis te wijzigen en naar believen de school te sluiten om in zijn tuin te gaan werken.

Naar Startpagina

De nieuwe adat (5)

Christendom en onderwijs op Teun, Nila en Serua (Oost-Indonesië)
in het begin van de twintigste eeuw.

Door: dr. Mariëtte van Selm

Dat de guru jemaat in hun eigen verslagen strikt in de leer en streng in hun straffen waren, wil echter nog niet zeggen dat zij dat ook in hun alledaagse omgang met de bevolking waren. Omdat door gebrekkige reismogelijkheden het halfjaarlijks bezoek van de hulpprediker van Banda nog wel eens een jaar of langer op zich wilde laten wachten en dan bovendien slechts een enkele dag duurde, genoten de guru grote vrijheid in hun doen en laten. Of en in hoeverre de guru jemaat deze vrijheid gebruikten om de rechtzinnigheid van hun leer af te zwakken en zo conflicten te voorkomen, is bij gebrek aan bronnen niet te achterhalen.

De andere tak van werkzaamheid van de guru jemaat, het schoolonderwijs, liet zich gemakkelijker nagaan. Bij hun bezoeken aan de eilanden controleerde de inspecteur voor het inlands onderwijs of de hulpprediker van Banda de leerlingenadministratie die de onderwijzer moest bijhouden, werden door middel van oefeningen de vorderingen van de leerlingen in de verschillende vakken getest, en werden het schoolgebouw en de inventaris geïnspecteerd.

Het schoolgebouw moest zoveel mogelijk naar den plaatselijken inlandschen bouwtrant worden gebouwd, voldoende licht en ruimte bieden en bij alle weersomstandigheden behoorlijke beschutting geven.
Het meubilair in de school bestond uit houten schoolbanken, die van Ambon werden aangevoerd als ze niet ter plaatse konden worden gemaakt. Idealiter beschikte de onderwijzer ook over een kast ter berging van leien, griffels en schoolboeken en over een schoolbord waarop hij de eerste beginselen van het schrijven kon laten zien. In het schoollokaal en in de schoolboeken was Maleis de voertaal. Daarbuiten klonk de landstaal, die per eiland verschilde.

De GPM-kerk van de gemeenten Bumei-Sifluru (Nila dorpen op Seram)

De schoolboeken waren dezelfde als elders in de Molukken: onder meer Empat serangkai, een vierdelig leerboekje voor leeslessen dat door de Landsdrukkerij te Weltevreden was uitgebracht; Boenga rampai, een verhalenboekje van J. Habbema dat te Batavia was verschenen; Serba Neka (betekent veelsoortig) een tweedelig leerboek voor leeslessen op Maleise scholen van een Leidse uitgeverij, en een zesdelige rekenboek dat de eenvoudige titel Kitab beladjar membilang droeg.

De schoolboeken werden de onderwijzers aanvankelijk vanuit Ambon toegezonden, later werden ze door de hulpprediker van Banda bij het depot van leermiddelen te Weltevreden (Java) besteld.
De rekening ervan werd betaald uit de door de hulpprediker van Banda geïncasseerde gouvernementssubsidie, die deels aan onderwijzerstraktementen en deels aan onderhoud en aanvulling der eerste inrichting mocht worden besteed. Schoolgeld werd niet geheven.

Het aantal leerlingen varieerde per school. De kleinste school telde rond de 70 leerlingen, de grootste tegen de 120. De onderwijzer diende presentielijsten bij te houden om aan het einde van het kalenderjaar te kunnen opgeven hoeveel leerlingen de school hadden bezocht.
De leeftijd van de leerlingen mocht bij benadering 6 tot 9 jaar, 10 tot 13 jaar en 14 tot 16 jaar worden opgegeven, want lang niet altijd was bekend hoe oud een kind precies was.

Een bewaard gebleven leerlingenlijst van Jerili vertoont grote gelijkenis met een concordantie van bijbelse namen, waarin zowel het Oude als het Nieuwe Testament vertegenwoordigd zijn: Jermias, Izaak, Mezac, Hanoch, Jacobus, Benjamin, Amoes, Semoeel, Abraham, Petroes, Nethaniel, Pauloes, Filiphoes, Adam, Andarias, Enos, David, Jonas, Zacarias.
De eerder Nederlands geïnspireerde Jan, Bernadoes, Marthinoes, Lambert en Wilhelmoes vielen er bijna bij uit de toon.
Bij de meisjes was het aantal bijbels geïnspireerde namen naar verhouding iets minder hoog: Martha, Maria, Esther en Rachel zaten in de klas zij aan zij met
Regina, Jacomina, Salomina, Hermelina, Dolfina, Leonora en Augoestina.(Archief Kerkenraad Banda inv. nr. 405)

Oude boeken in de consistorie van de Protestantse Kerk op Bandaneira

De leerlingen waren verdeeld over drie of vier klassen en ontvingen per dag, alleen de zondag uitgezonderd, vier uur onderwijs. De dag begon met godsdienstles. Daarna volgden (begrijpend) lezen, (schoon)schrijven, (hoofd)rekenen en zingen. Ook tekenen en aardrijkskunde konden op het lesrooster voorkomen.
Guru jemaat Soplanet van Rumdai leerde zijn leerlingen bovendien het Wilhelmus, zodat de schooljeugd dat de hulpprediker van Banda bij diens bezoek aan Nila in november 1915 bij wijze van begroeting kon toezingen. Ook guru jemaat Haullussy van Jerili was niet van koningsgezindheid ontbloot. Hij hechtte eraan om op de inventaris van schoolgoederen te vermelden dat in zijn school een ‘gambaran Ratoe Wilhelmina’, een portret van Koningin Wilhelmina, aanwezig was.

De inspanningen van de onderwijzers ten spijt was de toon van de inspectierapporten zelden onverdeeld positief. Aan het voortdurend tekort aan schoolboeken hadden de onderwijzers weinig schuld en ook geringe voortgang bij de nieuwbouw van schoolgebouwen kon hen niet direct verweten worden. Een ondermaats presteren van de leerlingen bij de oefeningen die inspecteur en hulpprediker hen lieten doen, werd daarentegen onverwijld op het conto van de onderwijzer geschreven.
Betoonde de onderwijzer zich daarenboven een gebrekkig gastheer die op de vragen van de inspecteur onbevredigende antwoorden gaf, dan belandden kwalificaties als ‘een treurig type dat niet eens een stoel kan aandragen en het hoofd behoeft men maar aan te zien om te weten dat hij het niet was die het buskruid uitvond’ in het inspectierapport.

Spelende kinderen na hun 'school' - Bumei (Nila)

Vanwege het tekort aan onderwijzers kon aan dergelijke kwalificaties weinig meer dan een strenge vermaning tot verbetering verbonden worden. Voor zover is na te gaan, werd tussen 1913 en 1923 geen enkele guru jemaat op Teun, Nila of Serua wegens eigen wangedrag of slechte prestaties van zijn leerlingen ontslagen.
Een slechte onderwijzer was nog altijd beter dan geen onderwijzer, zo leken de inspecteur voor het inlands onderwijs, de hulpprediker op Banda en de predikant-voorzitter van de commissie van hulppredikers op Ambon met elkaar eens te zijn. Alleen als zich een competente vervanger aandiende, kon overplaatsing naar een minder veeleisende standplaats ‘meer in de bewoonde wereld en met een kleinere school’ worden overwogen.

De guru jemaat op Teun, Nila en Serua stonden voor een niet geringe taak: de alfabetisering en christianisering van een bevolking in wier schriftloze cultuur symbolen centraal stonden en aan beelden dodelijke kracht werd toegekend.
Vakdidactiek had nooit onderdeel van hun opleiding gevormd, hun scholing had primair tot doel gehad dat zij de vakken die zij moesten gaan onderwijzen zelf beheersten. Hun standplaatsen lagen ver van de bewoonde wereld op Ambon en Banda, waren daar een aanzienlijk deel van het jaar zelfs van afgesloten. Hun salaris bedroeg op zijn hoogst ƒ 15 per maand en werd hen niet zelden met een vertraging van een geheel jaar uitbetaald.

Desalniettemin gingen eind 1923 de aantallen protestantse christenen op Teun, Nila en Serua die op Banda ruimschoots te boven. Drie eeuwen na zijn oprichting telde de protestantse gemeente op de Banda-eilanden 1.068 mannen, vrouwen en kinderen.
Teun telde eind 1923 met 395 christenen te Layeni, 129 te Mesa, 115 te Yafila en 111 te Watludan in totaal 750 christenen.
Voor Serua werd een totaal van 768 christenen opgegeven, waarvan 264 te Waru en 504 te Jerili, Lesluru en Terana. Op Nila werden meer dan duizend christenen gevonden: 539 in Rumdai, 319 in Bumei en Siplono en 147 in Wotai. Een arbeid van nog geen twee decennia, onder moeilijke omstandigheden verricht, wierp vruchten af.

Naar Startpagina