De nieuwe adat (1)

Christendom en onderwijs op Teun, Nila en Serua (Oost-Indonesië)
in het begin van de twintigste eeuw.

Door:dr. Mariëtte van Selm

Hun namen veranderden in de loop der tijd niet of nauwelijks. Francois Valentijn noemde ze in 1726 Teuw, Nila en Ceroewa. Negentiende eeuwse bestuurders hanteerden de Moluks-Maleise namen Teoen, Nila en Seroe(w)a. Op hedendaagse kaarten van Oost-Indonesië worden ze vermeld als Teun, Nila en Serua. Deze eilandjes, stuk voor stuk niet groter dan enkele kilometers in doorsnee, zijn kleine stipjes in de Oost- Indonesische Bandazee. Ze maken deel uit van de zogenaamde Binnen-Banda-boog: een reeks van eilanden die van Wetar over Roma en Damar noordwaarts naar de Banda-eilanden loopt.
De bodem van deze eilanden bestaat uit vulkanisch gesteente: vruchtbaar, maar in het geval van Teun, Nila en Serua ook gevaarlijk.
Vanwege een dreigende vulkaanuitbarsting liet de Indonesische overheid de gehele bevolking van deze drie eilandjes circa 5.000 mensen in de tweede helft van de jaren zeventig van de vorige eeuw naar de zuidkust van Seram (Midden Molukken) verhuizen. Daar vormt Teun-Nila-Serua (afgekort: TNS) sindsdien een apart sub-district, terwijl de eilanden zelf onbewoond achtergebleven zijn.

De Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) lijkt voor Teun weinig belangstelling te hebben gehad. Serua en Nila daarentegen werden gedurende de zeventiende eeuw een aantal malen met militaire expedities bezocht. Omdat de VOC in het kader van haar specerijenmonopolie besloten had om op uitsluitend de Banda-eilanden
de teelt van nootmuskaat en foelie toe te staan, moesten alle nootmuskaat-bomen elders in de Molukken worden vernietigd.
Door deze extirpatiepolitiek zouden eilanden waar extirpatie had plaatsgevonden onaantrekkelijk worden voor concurrerende westerse mogendheden en werd een kunstmatige schaarste gecreërd die de prijs van de specerijen opdreef.
De vernietiging van nootmuskaat-bomen beroofde de bevolking van Nila en Serua van een belangrijk ruilmiddel voor regionale handel, maar verzet tegen de militaire overmacht van de VOC was weinig succesvol. Nadat een experiment met de export van zwavelrijke aarde van Nila, door de VOC ook wel Zwavelberg genoemd, vanwege gebrek aan raffinagemogelijkheden op Banda was gestaakt, raakten Serua en Nila in vergetelheid.

De zwavelberg van het eiland Nila

In de eerste helft van de negentiende eeuw mochten de ‘Zuidwestereilanden’ zo genoemd vanwege hun ligging ten opzichte van de Banda-eilanden, zich in hernieuwde aandacht van het koloniaal bestuur verheugen. Die belangstelling concentreerde zich echter op de grotere eilanden: Kisar, Wetar, Leti, Moa, Babar en Damar. Deze eilanden werden door gouvernementsambtenaren aangedaan op hun inspectiereizen en op deze eilanden vestigden zich zendelingen die door het Nederlands Zendelinggenootschap (NZG) waren uitgezonden.

De drie kleine eilandjes verderop in de Bandazee, ten noordoosten van Damar, bleven buiten beschouwing. Dat vond niet in de laatste plaats zijn oorzaak in het klimaat. Tussen december en april was de Bandazee rondom Teun, Nila en Serua uiterst moeilijk bevaarbaar. De krachtige westmoesson veroorzaakte in die periode hevige stormen en zware regen- en onweersbuien.
Na een korte kenteringsperiode trad in april of mei de tweede natte periode in, waarin de overigens minder heftige oostmoesson het voor het zeggen had. Van augustus tot november werd het heet en droog, waarna in december de westmoesson opnieuw losbarstte. De moessons verhinderden de bevolking van met name Nila en Serua niet om uit te varen naar omringende eilanden.

Naar Startpagina

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s