De nieuwe adat (2)

Christendom en onderwijs op Teun, Nila en Serua (Oost-Indonesië)
in het begin van de twintigste eeuw.

Door: dr. Mariëtte van Selm

De resident van Banda, onder wiens bestuur Teun, Nila en Serua formeel ressorteerden, rapporteerde in 1830 over Nila: “Het volk nog op den huidigen dag in eenen volmaakten wilden staat daarhenen levende, voedt zich bij ontbering van het geringste kleed, dan alleen het schortje tegen den onderbuik vastgemaakt, met raauwe bladen en putréfiante visch. (1)

Hetzelve is zeer handelbaar, jaarlijksch komen alhier eenige vaartuigen van dezelven ten handel. Elk vaartuig heeft doorgaans de geheele negorij, bestaande uit 40 – 50 manschappen, aan boord. De artikelen voor den ruilhandel bestemt, zijn altoos orembaijen, van verschillende grootte, welke voor de besten van den geheelen archipel gehouden worden; voorts varkens, bokken en geiten, uijen, koening (2) en gember enz., waarvoor zij gaarne wapens als parrangs en hakmessen, ook grove lijwaden, waarmede zij weder op de omliggende eilanden hun winst doen, in ruiling ontvangen. Van eenen gelijken stempel is dat van Seroea, hetwelk in alles, als levenswijze, huishouding en handel, met eerstgenoemde veel overeenkomst heeft. Beiden natiën spreken afzonderlijke talen, beiden beminnen tot overmaat toe de arak (3).

Het bewerken van klappernoten

In latere jaren werd gemeld dat van de ‘Serua-eilanden’ naast prauwen en kleinvee ook grote hoeveelheden klappernoten op Banda werden aangevoerd.
Soms ook vestigden bewoners van Serua zich tijdelijk op de Banda-eilanden, om daar inkomsten te verwerven als arbeider in één van de nootmuskaatperken of als visser.

Begin 1858 rapporteerde de toenmalige resident van Banda over hen:
De heidenen die op de Banda-eilanden gevonden worden, zijn inlanders van de Baber-, Seroea- en Tenimbereilanden. Zij zijn in den regel achterblijvers van de jaarlijks van die eilanden hier ten handel komende praauwen en veel ijveriger dan de christenen of mohamedaansche burgers, zoodat zij in den regel niet naar hunne haardsteden terugkeeren dan na eenig geld bespaard te hebben.
Stil en ordelijk, niet behebt met de ondeugden der burgers dezer residentie, steken zij gunstig bij deze af en is hun verblijf alhier niet alleen nuttig, maar ware het wenschelijk dat zij tot vaste nederzetting in grootere getale op de Banda- eilanden konden worden overgehaald. Daar zij echter allen na korteren of langeren tijd weder huiswaards keeren, is het niet te veronderstellen dat pogingen daartoe met gunstigen uitslag zullen worden bekroond”.

Het dorp Bumei

Huiswaarts wilde zeggen: terug naar één van de dorpen op Teun, Nila of Serua.
Teun telde in het begin van de twintigste eeuw in elk geval vier dorpen: Layeni, Mesa, Yafila en Watludan. Op Nila lagen Rumdai, Bumei, Siplono en Wotai. Op Serua bevonden zich Jerili, Lesluru, Terana en Waru.

Doordat gedetailleerde kaarten van de eilanden ontbreken, is onbekend waar elk dorp zich precies bevond. Traditioneel lagen dorpen in de ZuidOost-Molukken op goed verdedigbare plaatsen als heuveltoppen en kapen. Op bevel van het koloniaal bestuur vestigde de bevolking zich in nieuwe dorpen aan de kust, die voor het koloniaal bestuur beter controleerbaar waren. Het dagelijks bestuur van de eilanden was in handen van orang kaya en kepala soa, lokale hoofden.

(1) Rotte vis
(2) kunyit, kurkuma wortel, in fijngemalen vorm gebruikt bij de bereiding van rijst en vis.
(3) brandewijn, gestookt van rijstwater of palmsap

Naar Startpagina

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s