De nieuwe adat (4)

Christendom en onderwijs op Teun, Nila en Serua (Oost-Indonesië)
in het begin van de twintigste eeuw.

Door: dr. Mariëtte van Selm

Vanwege het tekort aan onderwijzers kon het gerucht dat een guru jemaat om overplaatsing naar een ander eiland had gevraagd voor grote onrust zorgen.
Watludan op Teun had geruime tijd op een eigen guru moeten wachten, maar dreigde zijn net verkregen onderwijzer snel weer kwijt te raken. Om dat te voorkomen, deed de orang kaya van Watludan in juli 1922 een beroep op hulpprediker van Banda A.N. Binkhuysen.

Dengan beriboe-riboe hormat dan kerendahan maka hamba orangkaja Watloedan serta toeagama dan djamaat, datang dengan soerat ini pada toean jang Moelia.
Dan menjatakan peri kehidoepan goeroe kami jang baik, pada toean jang Moelia; ia itoe goeroe kami tahoe merindahkan diri bawah orang; lagi radjin didalam bekerdjaan tida boeang satoe hari lagi. Dan lagi kami lihat goeroe-goere jang datang di poelau Teon minum sopi dan segeroe; tapi kami poenja goeroe tida tahoe paminoem atau tida tahoe minoem barang jang kering.

Tagal dia datang di Teon baroe kami orang Teon semoea melihat peri kelakoean jang baik itoe dan adat jang baharoe itoe, djadi sekarang kami semoea dipoelau Teon soedah moelai toekar adat kami jang doeloe itoe, djadi soedah moelai baik tagal kami poenja goeroe jang toendjoek itoe; djadi sekarang soedah moelai bersih.
Lagi orang maki kami poenja toean goeroe tida marah, maski orang bilang dia bermoeka tidak marah mengakoe sadja lagi bilang pentjoeri mengakoe sadja, karena dia mengadjar kami katanja maski orang maki kami jang marah, asal tahoe sadja engkau benar dihadapan Allah; karena toehan Isa kami atau kepada djamaat tida tahoe marah, djadi kami djoega djangan marah lagi. Tagal itoe kami minta beriboe-riboe ampoen dari toean jang Moelia, kami tjinta kami poenja goeroe sampai mati; kami poenja goeroe maoe pergi di Nila, tapi kami tahan dia, karena kami tjinta dia poenja baik; lagi ia larang kami djangan kerdja pada hari Minggoe djadi kami toeroet, lagi hari empat poekoel 4 kami masoek perhimpoenan djamaat lagi.

De vertaling: is van de hand van dr Th. van den End
Met duizendvoudig eerbetoon en onderdanigheid kom ik, orang kaya van Watludan, alsmede de tua agama en gemeente middels deze brief tot u, om een verklaring af te leggen omtrent de levenswijze van onze guru. Hij is nederig in de omgang met de mensen en ijverig in zijn werk; geen dag vergooit hij. Wij hebben gezien dat de guru die op Teun kwamen werken brandewijn en sagower dronken, maar onze guru drinkt niet en neemt geen sterke drank. Pas doordat hij op Teun gekomen is, zagen wij, lieden van Teun, de nieuwe levenswijze en de nieuwe adat.
Daardoor zijn wij allen op Teun begonnen onze oude adat te verwisselen. We hebben een guru die laat zien hoe het moet, komt het goed; nu wordt er schoonmaak gehouden.

Verder wordt onze guru niet boos als de mensen hem uitschelden; al zeggen ze dat hij overspelig is, wordt hij niet boos en geeft het toe; zeggen ze dat hij een dief is, hij geeft het toe, want hij heeft ons geleerd: al schelden de mensen ons uit, word niet boos, als je maar weet dat je rechtvaardig bent voor God, want de Here Jezus is ook nooit boos op ons of op de gemeente; daarom moeten ook wij niet boos zijn.
Daarom vragen we UEdele duizend maal om vergiffenis: wij houden van onze guru tot in de dood; onze guru wil naar Nila gaan, maar wij hebben hem tegengehouden, want wij houden van hem omdat hij goed is.
Hij heeft ons ook verboden op zondag te werken, dus dat verbod volgen wij. Verder komen wij op woensdag om vier uur in de middag ook in de gemeentesamenkomst.

In het dorpje Bumei

Het is mogelijk dat Albert Kelpitna, de kwekeling die de brief schreef, de orang kaya influisterde wat de hulpprediker op Banda welgevallig zou zijn om over het Christendom in Watludan te horen.
Positieve berichten zouden voor de positie van Kelpitna geen kwaad kunnen, aangezien niemand anders dan hijzelf de beschreven guru was.
Mogelijk ook had Kelpitna gedreigd om terug te keren naar Nila, hij was van juni 1919 tot eind 1922 als kwekeling te Rumdai werkzaam geweest. Als de inwoners van Watludan in hun levenswandel niet meer blijk zouden geven van waardering voor het bezit van een eigen onderwijzer en gebruikte Kelpitna de brief om nog eens uiteen te zetten hoe die levenswandel eruit moest zien.
Hoe dan ook, de brief geeft een gedetailleerd beeld van wat kenmerkend werd gevonden voor een christelijke levenswandel: nederigheid, ijver, geheelonthouding, zelfverloochening, huwelijkstrouw, respect voor de eigendommen van anderen, rechtvaardigheid voor God, zondagsheiliging en het bijwonen van bijeenkomsten van de christelijke gemeente.

Soortgelijke thema’s komen naar voren in andere brieven van guru jemaat op Teun, Nila en Serua.
De komst van een nieuwe adat leidde, althans volgens de verslagen die de verschillende guru jemaat aan de hulpprediker op Banda uitbrachten, niet tot grote conflicten.
Alleen te Waru (Serua) moesten schoolonderwijs en catechisatie enige tijd worden gestaakt nadat een kwekeling, de orang kaya tegen zich in het harnas had gejaagd door eigenmachtig de afmetingen van het voor hem te bouwen huis te wijzigen en naar believen de school te sluiten om in zijn tuin te gaan werken.

Naar Startpagina

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s