Mijn herinnering uit de 2e WO

Dit is één van de verhalen van mijn schoonmoeder R.I.P. Leentje Supit-Matakupan.
Liefste moeder, grootmoeder, overgrootmoeder en een sterk mens.
Geboren op: 25 mei 1925 (Hatu) – Overleden: 8 november 2014 (Groningen)

Ma 88jrIk was 18 jaar toen mijn moeder stierf. Enkele maanden na haar begrafenis vroeg mijn broer mij om bij hun te komen wonen. Samen met mijn broer, zijn vrouw en 2 kinderen woonden we in Piru.
Piru is een plaatsje aan de Piru-baai in Zuidwestelijke kust van het eiland Seram op de Molukken. Mijn broer werkte bij de politie en daarom woonden we samen met nog vele politiebeambten en hun gezinnen in de politiekazerne.

Ik hielp mijn schoonzuster in de huishouding en verzorgde de kinderen. Kleren wassen deden we in de rivier, dan gingen de kinderen ook altijd mee. De oudste zoon aan de hand, zijn zusje op mijn rug en de was aan mijn andere hand zo liepen we naar de rivier. Terwijl de vrouwen kleren wasten speelden de kinderen in de rivier. De kinderen zijn erg gehecht aan mij.

Het was 1943, heel Nederlands Indië was verwikkeld geraakt in de 2e WO.
We wisten dat er toen oorlog was, de Jappen werden reeds gesignaleerd in West Seram. Vele dorpen aan de kust waren in handen van de kempeitai.

De politieambtenaren troffen toen maatregelen door voor hun gezinnen ‘rumah lari’ te bouwen.
(Rumah lari is een huisje in het bos, waar men naar toe kan vluchten, als het dorp aangevallen wordt).
Op één van de dagen hoorden we zwaar gerommel van vliegtuigen in de lucht. Japanse vliegtuigen scheerden boven de huizen en begonnen het dorp te bombarderen.
Paniek in de kazerne, snel pakten we wat we konden meenemen.
Sommige politiemannen vluchtten ook mee met hun gezinnen.
Om naar de ‘rumah lari’ te komen moesten we eerst de rivier oversteken, door over een grote gladde boomstam te lopen.
Toen we aan de overkant waren, hoorden we weer het gerommel. Heel snel wierpen we ons op de grond en maakten we ons zo klein mogelijk.
De Jappen lieten nu de bommen vallen in de richting van de rivier.
De bombardementen werden hoe langer hoe heftiger. Angstig rende iedereen naar de loopgraven die langs de rivier waren gegraven.
Toen na een half uurtje de vliegtuigen niet meer terug kwamen besloten we om onze weg naar de ‘rumah lari’ te vervolgen.

Kleren wassen

Kleren wassen in de rivier

Er werden echter te veel dingen meegenomen, waardoor we niet snel konden lopen.
“Willen we snel in de ‘rumah lari’ komen moeten we een deel van onze meegenomen ‘spullen’ kwijt”. In een loopgraaf konden we onze overbodige ballast achterlaten. Maar dan moest er iemand achter blijven om op de spullen te letten.
Ik werd aangewezen om te blijven. Ik vond het helemaal niet leuk maar durfde niet tegen te spreken. “We komen straks terug om je op te halen” werd mij beloofd. “Je moet in de loopgraaf schuilen en je verstoppen als je mensen hoort ”

De ingang van de loopgraaf werd van buiten afgedekt met oude ‘atap’ en losse sagobladeren, waarover heen dorre bladeren werden gestrooid. De avond viel… in de loopgraaf werd het hoe langer hoe donkerder en dan, dan de totale duisternis in het bos.
De enige geluiden die ik hoorde, waren de nachtgeluiden van het oerwoud.. Ik probeerde van alles en nog wat te fantaseren om mijn angst de baas te blijven.
Maar het hielp niet …. de angst nam steeds toe… “Ze zouden toch snel terug komen om mij op te halen ? en nu, nu is het al avond”

“Tot wie moet ik mijn toevlucht zoeken ? Vanwaar zal mijn hulp komen ? Mijn hulp is van de HERE, die de hemel en aarde gemaakt heeft.. tot Hem alleen moet ik mij wenden” luidde de tekst uit psalm 121, die ik op de catechisatie leerde.

Ik bad, ik bad het onze Vader …. steeds en steeds weer opnieuw… totdat ik in slaap viel’.

JungleDe nacht ging voorbij. Toen de eerste lichtstralen door de sagobladeren de loopgraaf binnendrongen, ging ik tussen de ‘spullen’ zoeken naar iets eetbaars.
Gelukkig ik vond in een kommetje koude papeda gewikkeld in ‘pisangblad’. Dat was het eten van Nicodemus de man die onze tuin onderhield.
Wat was ik heel erg blij en dankbaar, na anderhalve dag zonder eten smaakte koude papeda als een feestmaal.

Mensen die ooit papeda gegeten hebben, kunnen mij beamen, dat papeda nergens naar smaakt. De saus waarmee men de papeda eet bepaalt de smaak.
Met een ander kommetje, die ik ook daar vond, ving ik het regenwater op, dat door de sago bladeren de loopgraaf binnensijpelde

Op één van de dagen, toen het heel erg stil was, stak ik mijn hoofd door de sagobladeren boven de loopgraaf uit zag ik een matoaboom. Onder de boom lagen veel rijpe matoavruchten.
Matoavruchten zijn in vergelijking met papeda een lekkernij. Toen ik constateerde dat er niemand in de buurt was, kroop ik heel snel uit de loopgraaf, verzamelde zoveel mogelijk de vruchten en keerde even snel mijn ‘hol’ in.
Op deze manier hield ik zeven dagen vol in mijn schuilplaats.

Toen ik op de zevende dag mijn hoofd uit mijn schuilplaats stak, hoorde ik opeens: “Wie ben je, wat doe je daar ?” de stem kwam van achter het struikgewas vandaan. Ik schrok me wezenloos maar niet voor lang…want ik herkende de stem heel goed en begon te huilen.
Nadat ik hem alles vertelde wat er aan de hand was, bracht mijn redder mij naar de ‘rumah lari’.
Mijn redder was Albert Julianus Supit, die later mijn schoonvader werd.

Op de vraag waarom ze niet terugkwamen om mij op te halen, antwoordden ze dat ze bang waren voor de bombardementen en dat er overal in het bos Japanse militairen waren.

Naar Startpagina

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s