Schoentjes zetten in de kolong*

Uit: Een noken vol herinneringen

De intocht van Sint Nicolaas en zijn Pieten is reeds wekenlang aangekondigd door de TV reclames, Reclamebladen zelfs billboards met de boodschap waar men Sinterklaas- en of Pietenpakken kan huren. Als ik dit allemaal zie, moet ik terugdenken naar mijn eerste kennismaking met Sint Nicolaas en zijn ‘knechten’.
Géén discussie over de Pieten of ze zwart, wit of anders gekleurd moeten zijn.
Géén voor- en anti zwarte Pieten demonstratie..enz..enz..

Dit is één van mijn vele herinneringen aan Merauke… dit stuk gaat over mijn eerste Sint Nicolaasfeest in Merauke. (*Kolong = ruimte onder het bed).

Met de komst van vele Nederlandse ambtenaren, leerkrachten halverwege de jaren 50 van de vorige eeuw in Merauke, voormalige Ned. Nw-Guinea, maken we kennis met de Nederlandse taal -gewoontes en -tradities.
Op onze basisschool, Openbare Lagere School B, wordt vanaf de 4e klas, Nederlandse taalles gegeven. We leren: ‘vaderlandse’- en oranjeliederen, die we tijdens de koninginnedag moeten zingen, natuurlijk ook het Wilhelmus.

Het St. Nicolaasfeest of het Sinterklaasfeest wordt op school geïntroduceerd. Meester Geertsema vertelt ons het verhaal over bisschop Nicolaas van Myra (ligt in Turkije).
Het is muisstil in de klas. Met open mond zitten we aandachtig naar deze legende te luisteren. Hij laat ons enkele prentbriefkaarten zien met St. Nicolaas erop. Zo kunnen we enige voorstelling maken hoe Sinterklaas eruit ziet.

En dan, dan breekt de lang verwachte dag aan: 5 december, het Sinterklaasfeest.
Langzaam glijdt de motorboot met Sinterklaas en zijn knechten erin, over het water van de Maro rivier de haven van Merauke binnen. De gasten uit het verre Spanje, inclusief de schimmel van de Sint, staan op het dek te trappelen om aan wal te gaan.
De kleine kade aan de Maro rivier is helemaal vol met vele opgewonden ouders en kinderen. De meesten zijn Nederlanders en of Nederlandssprekende ambtenaren, die thuis zijn met deze typische Nederlandse traditie. De rest van de Meraukese inwoners staan op een veilige afstand nieuwsgierig te kijken. “Wat is er nu aan de hand, wat gebeurt er hier allemaal ?”

Een blanke man met lange grijze haren snor en baard, gekleed in een lange ‘jurk’, met een staf in de hand zittend op een paard. En al die zwart geverfde mannen… uitgedost in een rare kleding. Voor de autochtone Meraukezen, een welkome afwisseling in hun eentonig dorpsleven.

Toen de motorboot is aangemeerd, gaat het gezant uit Spanje de kade op, terwijl ze enthousiast wordt toegezongen door de menigte: “Sinterklaasje kom maar binnen met je knecht
Deze liederen klinken mij niet vreemd meer in mijn oren.

De vrouw met haar handen op haar rug was mijn moeder, een van de leerkrachten op onze school.

De Sint en zijn gevolg brengen eerst een bezoek aan de Europeese Lagere school, daarna is onze school aan de beurt.
Natuurlijk verwelkomen we de Sint met zijn liederen. We hebben immers wekenlang, na de schooltijd, geoefend om ze uit het hoofd te kunnen zingen.
“Ik kan je wel verzekeren, het is beslist niet gemakkelijk ! vooral omdat we de Nederlandse taal niet eens verstaan laat staan spreken.

De schimmel van de Sint wordt tijdelijk op het school-voetbalveldje, ‘geparkeerd’. De Sint, omringt door de leerkrachten en leerlingen, loopt naar de voor hem speciaal versierde stoel. De Pieten daarentegen hebben het heel erg druk met strooien van snoepgoed en aardnoten.
Wat een geweldige sfeer, overal blije kinderen en ouders.
“Het lijkt bijna op Koniginnedag, zelfs de meeste kantoren zijn vandaag dicht”.

We moeten allemaal op de grond zitten, voor de Sint . Zijn grote boek met een grote gouden kruis op de kaft, komt tevoorschijn. Hierin staan
de namen van niet alleen de ‘stoute’, maar ook de ‘brave’ kinderen.
De Sint bladert in zijn boek en spreek ons toe…. wat zijn wij toen erg verrast en geschrokken.
Hij had onze volle aandacht… want we konden hem heel goed verstaan. “De Sint spreekt Maleis !”.

Willekeurig noemt hij de naam op van een kind, die bij hem moet komen. Brave kinderen kregen een schouderklopje, de wat minder brave kinderen gesommeerd om beter hun best te doen.
Tot de laatste groep behoor ik.. ik moet de Sint beloven beter op te letten in de klas en mijn handschrift te verbeteren. Een 5 is het hoogste cijfer die ik voor schoonschrijven krijg. Tekenen en rekenen daarentegen ben ik wel goed in. Alle kinderen, die bij hem moeten komen, krijgen extra handvol snoepgoed toegestopt, ook de ‘stoute’ kinderen.
Met het liedje: Dag Sinterklaasje..daag..daag…zwarte Piet… zwaaien we Sint en Pieters weg.

Echt teruggaan naar Spanje doen ze nog niet .. want vanavond hebben ze nog een belangrijke missie te vervullen.
“Ze gaan, als het donker wordt, de huizen langs om kado’s te brengen” vertellen mijn moeder en zus mij. Ik moet daarom, zodra ik thuis kom, mijn (enige) schoen poetsen en voor mijn bed neerzetten. “Alleen bij gepoetste schoenen worden kado’s neergelegd” wordt mij op het hart gedrukt.
Daarmee ben ik nog niet klaar, ik moet ook mals gras en een emmer water voor de schimmel erbij doen.

Die avond kan ik door spanning en opwinding niet rustig slapen. Ik schrik een paar keren wakker en meen geluiden in huis te horen. Pratende mensen en gehinnikt van een paard…
Ik denk dat ik droom, maar ben heel erg moe om op te staan en slaap weer verder..

’s Morgens ben ik al heel vroeg op… Buiten begint het licht te worden. Een ochtendstraal probeert door een kiertje naar binnen te gluren. Ik wil opstaan als ik mijn moeder hoorde roepen: “ga nog even slapen het is nog veel te vroeg”
Nieuwsgierig naar de kado’s stap ik na een tijdje zachtjes toch maar uit bed. Zet mijn beide voeten tegelijk op de grond….. en voel zacht en vochtig aan onder mijn blote voeten en tussen de tenen …. glij uit en val op de grond…
Door het gebonk rent mijn moeder de kamer binnen, doet het raam open…. het vrolijke ochtendlicht straalt naar binnen…
En nu zie ik het pas wat er gebeurd is….. ik, ik had op een hoop paardenpoep gestapt!.
De Sint en zijn schimmel waren hier echt binnen geweest !”

Naar Startpagina

Kerstfeest in Muli (Merauke) anno 1956

Uit: Een noken vol herinneringen

Dit is één van mijn vele herinneringen aan Merauke…het stukje hieronder gaat over de bezigheden rondom het Kerstfeest in Muli. Muli is een dorpje, dat op ongeveer 5 km van Merauke ligt.

Mijn vader werkte in Muli als zendeling; op door-de-weekse-dagen was hij hoofd van 3 klassen basisschool en ‘s-zondags leidde hij de kerkdienst. De rest van zijn tijd gebruikte hij om zijn gemeente te dienen.
Mijn moeder werkte als onderwijzeres op de Openbare Lagere School B in Merauke.

Voorbereidingen in en om het huis
Tegen de kerst, was het altijd druk bij ons thuis. Voorbereidingen voor het kerstfeest..  Mijn moeder bakte cakes en we moesten haar daarbij helpen. Broer Paul (RIP) klopte eieren om later gemengd te worden met meel, suiker en andere ingrediënten tot cake-beslag. Ik smeerde ik de bakvormen met boter (Blue Band), zodat de cakes niet aan de bakvormen plakken.
Elektrische- of gasoven hadden we niet, immers we kookten op houtvuur. Van een vierkante olie blik maakte mijn vader een oventje. De cakevorm met beslag werd in de oven gelegd, die van onderen en boven verwarmd werd met houtskool. Soms kon de houtskool te heet zijn, dan gebruikten we het zachte schil van cocosnoot. Dit brandt korter en minder heet.

Het huis moest helemaal opgeruimd worden. Het erf schoongevegen, soms moest nog een muur gewit worden, m.a.w. alles moest weer pico bello uitzien.
Mijn moeder had hierin de leiding.
Dan kwam mijn vader binnen, keek rond …. keek mijn moeder aan…. schudde slechts zijn hoofd en zei: “Marta, Marta….” en liep weer naar buiten.
Ik vond wel vreemd… waarom zei hij “Marta” zo heet mijn moeder helemaal niet en ook niet haar 2e naam.

Voorbereidingen op school en in de kerk
In de maanden november en december zagen we mijn vader minder dan anders.
Als de school uit was, bleef hij nog na om zich voor te bereiden op de kerst. Elk jaar werd op de kerstavond een ‘kerst-stukje‘ uitgevoerd. Uren besteedde hij aan script schrijven, rollen verdelen, mensen ervoor benaderen, daarna dagenlang met ze repeteren. Repetities met het fluitorkest en het kinderkoor.. Hij had de hele regie in eigen handen.
Tegen de tijd dat de kerst naderde merkte ik dat de spanning in hem opkwam.
Dan pakte hij zijn dubbelloops geweer … ging het bos in om te jagen.
Als hij later terugkwam, met of zonder buit, was de rust in hem weer teruggekeerd.

De dochter van Herodias danste terwijl haar moeder in de deuropening stond te kijken

Kerstversieringen en kerstboom
Een paar dagen voor de kerst werd de kerstboom in de kerk opgetuigd. Kerstballen en kerstversieringen waren toen nog nergens in de winkels te verkrijgen.
Van crèpepapier maakten wij, (kinderen) slingers. De ronde vruchten van bintangorboom of (buah bintangor) van ca. 5 cm diameter, verfden we met felle kleuren om in de boom te hangen als kerstballen.
Omgewikkeld in aluminium papier werden deze bintangorvrucht mooie glinsterende kerstballen. Natuurlijk moesten we eerst een gaatje maken in de vrucht en het vruchtvlees eruit halen, wat er over bleef was het harde schil (te vergelijken met een kalebas).

Als kerstverlichting gebruikten we echte kaarsen, die in zelfgemaakte bamboe standaard in de boom werden bevestigd. Het kostte ons uren om deze kerst-versieringen te maken. En geloof me…. dat waren echt leuke creatieve uren.
Een mooie boom (geen den of spar) van 3 meter, kapte men in het bos en dan… in actie allemaal…. versieren maar…
Onder de kerstboom stonden in plaats van cadeaus, twee emmers met water erin. Het gebeurde wel eens dat de kerstboom tijdens de viering in brand vloog, vandaar deze 2 emmers.
De hele kerk werd versierd. Slingers hingen overal, de boom stond statig naast de kansel.

De kerstviering
De kerk was tot aan de nok toe gevuld. Niet alleen met mensen uit ons dorp Muli, maar ook uit Merauke.
Ook de moslimkinderen, die bij mijn vader op school zaten, en hun ouders en familie waren er allemaal.
Meer dan 30 procent van de leerlingen van deze Christelijke Dorpsschool waren moslim-kinderen. Enkelen van hun deden zelfs mee in dit kerststukje.
Waauw… wat bijzonder, dat kon allemaal zo maar, 55 jaren geleden. Ik, ik kreeg een heel bescheiden rolletje in deze kerstuitvoering. Een rolletje als ‘kindsoldaat’ van Herodes. Twee keren mocht ik opkomen. Een keer om Johannes de Doper op te halen uit de gevangenis en de andere keer aan het einde.

Het hoofd werd op een schaal binnengebracht aan het meisje gegeven, en zij bracht het naar haar moeder.

De dood van Johannes de Doper
Het stuk ging over de dood van Johannes de Doper (Mattheüs 14 1:12). Herodes had Johannes de Doper destijds laten arresteren en in de boeien geslagen en hem in de gevangenis geworpen om Herodias, de vrouw van Filippus, de broer van Herodes.
Johannes had namelijk tegen Herodes gezegd: “U mag haar niet tot vrouw nemen“.
En hoewel Herodes Johannes de Doper wilde doden, deed hij dat niet uit vrees voor het volk, dat Johannes voor een profeet hield.
Toen Herodes een feest gaf ter gelegenheid van zijn verjaardag, danste de dochter van Herodias te midden van de aanwezigen, en dat viel bij Herodes in de smaak. Daarom zei hij dat ze zou krijgen wat ze maar zou vragen, en hij bezegelde die belofte met een eed.
Door haar moeder daartoe aangezet zei ze: “Breng me dan op een schaal het hoofd van Johannes de Doper.” Deze vraag bedroefde de koning, maar omdat hij in het bijzijn van zijn tafelgasten een eed gezworen had, beval hij dat men het haar zou brengen, en hij gaf opdracht Johannes in de gevangenis te onthoofden. Het hoofd werd op een schaal binnengebracht aan het meisje gegeven, en zij bracht het naar haar moeder. (Matheus 14: 3-12)
De kerstuitvoering was een groot succes. Dagenlang was de kerstviering in Muli het gesprek van de dag. Niet alleen in Muli maar ook in Merauke.

Het finale lied. Het kindsoldaat rechts voor u op de foto…..c’est moi.

Het verhaal van Marta en Maria
Vele, vele jaren later, begreep ik pas waarom mijn vader op een van die drukke dagen in december zijn hoofd schudde en “Marta, Marta..” tegen mijn moeder zei.
In Lucas 10 : 38-42 las ik het verhaal van Marta en Maria: Toen ze (Jezus en zijn leerlingen) verder trokken ging hij een dorp in, waar hij gastvrij werd ontvangen door een vrouw die Marta heette. Haar zuster, Maria, ging aan de voeten van de Heer zitten en luisterde naar zijn woorden. Maar Marta werd helemaal in beslag genomen door de zorg voor haar gasten. Ze ging naar Jezus toe en zei: “Heer, kan het u niet schelen dat mijn zuster mij al het werk alleen laat doen? Zeg tegen haar dat ze mij moet helpen”.
Jezus zei tegen haar: “Marta, Marta, je bent zo bezorgd en je maakt je veel te druk. Er is maar één ding noodzakelijk. Maria heeft het beste deel gekozen, en dat zal haar niet worden ontnomen”.

Vandaag de dag, is het nog niet veel veranderd, Marta’s kom je nog steeds tegen. Marta’s zijn alleen maar bezig met hun eigen ‘ding’. Zoals, wat voor kleren doen we aan met kerst!
Waar gaan we met de 1e Kerstdag naar toe?.
Wat moeten we klaarmaken voor de gasten?. De kerstbomen moeten opgetuigd worden, andere kerstversieringen…. huizen, tuinen worden voorzien van vele kleurrijke lichten.
Hoe meer lichten hoe mooier enz..

Het Licht
Lichten…. ja…Kerstfeest is natuurlijk het feest van Het Licht. Het Licht dat de andere lichten doet vervagen.
Jezus Christus is Het licht in de nacht. De herders op de velden van Efrata hadden het gezien. De wijzen uit het Oosten hadden het gevolgd naar Bethlehem en Maria had voor het gekozen.
Wat..wat is uw keuze?…..  “Wens u een Kerst vol licht, rust en vrede”

Naar Startpagina

Mijn herinneringen aan Merauke [1] (Voormalige Ned. Nieuw Guinea – nu Papua)

Uit: Een noken vol herinneringen

Dit is één van mijn vele herinneringen aan Merauke… mijn verhaal hieronder gaat over de eerste jaren, toen we van Ahiolo (Seram) in Merauke kwamen, mijn Openbare Lagere School B periode en de tijd op de Experiment RK Mulo.

Verhuizing
Na de 2e WO in 1948 werd mijn vader overgeplaatst van Ahiolo (binnenland van Seram) naar het binnenland van Zuid Nieuw Guinea. Hij zou daar zijn werk als zendeling voortzetten. Merauke, de hoofdplaats bestond toen slechts uit een tiental huizen omringd door moerassen.
De hoofdbewoners van dit vlakke deel van Nieuw-Guinea waren de malariamuggen.
Hier kwamen we te wonen, samen met de duizenden malariamuggen, die heel erg blij waren met onze komst.
Verder hadden hier verschillende bevolkingsgroepen uit de Molukken o.a. Timorezen, Keiezen, Tanimbarezen, Ambonezen en Chinezen hun thuis gevonden.

De overplaatsing van mijn vader, betekende voor het hele gezin een complete verhuizing. Vier dagen hadden we nodig om van Ahiolo naar Piru (kustplaats in West Seram) te komen. 4 dagen lang lopend door het tropische regenwoud. De kleine kinderen, o.a. ik, werden op de schouders gedragen door de sterke mannen van Ahiolo. En dan nog de koffers! en houten kisten met huishoudelijke benodigheden. Hoe het allemaal toen ging, hoorde ik later in Huku Kecil toen we in 1994 naar Ahiolo gingen.
Vanuit Piru gingen we per boot naar Ambon.
De bootreis van Ambon naar Merauke, de hoofdplaats van Zuid Nw-Guinea duurde enkele dagen.

Mijn vader was ons vooruit gereisd om een huis te regelen, immers hij moest verder het binnenland in. Zo vertrok mijn moeder een maand later met haar 4 kinderen vanuit Ambon via Banda naar Merauke. Dat ze deze bootreis zonder mijn vader moest ondernemen, was voor haar geen probleem. Zij was al heel ‘vroeg’ zelfstandig en wist wat ze wou. Toen zij nog maar 17 jaar jong was, werd zij al uitgezonden naar Seram om als onderwijzeres te gaan werken.
De eerste paar maanden in Merauke, woonden we bij een familie in. Gelukkig was het maar voor een korte duur want al gauw konden we een huis (later bewoond door familie Sialatua) huren in Kampong Ambon.

Herinneringen over mijn schooljaren in Merauke

De klas van mijn moeder en juf. Jenny Tehupuring. Op de muren hangen de tekeningen van dhr. Jansen aan de Weg.

Openbare Lagere School B (OLS-B)
Op deze school kwam mijn moeder te werken als onderwijzeres. Enkele jaren later werd zij tot schoolhoofd benoemd. De voertaal op de Openbare Lagere School B is Maleis.
De school staat niet ver van ons huis vandaan.

Ik was toen pas 4 1/2 jaar jong en mocht nog niet naar school. Kleuterschool en kinderdagverblijf waren er niet. Tot dat ik officieel naar school mocht, ging (moest) ik elke dag met mijn moeder mee. In de klas waar ze les gaf, was ik er ook. De meisjes van de hogere klassen verwenden me regelmatig met snoepjes (Lonka).

Een griffel en een lei waren mijn school attributen. En als ik er genoeg kreeg van tekenen, ging ik op het schoolplein spelen of op de koude vloer van de lange galerij slapen. De koude vloer voelde zo lekker aan, vooral op het heetste deel van de dag.
Op het schoolplein groeiden grote mango bomen en als rijpe mango’s van de bomen vielen, was ik altijd als eerste erbij om ze op te rapen. In de pauze liep ik altijd achter mijn moeder aan, waar ze ook naar toe ging.
Soms, soms deed ik ook mee met de lessen.

Toen ik dan officieel naar school mocht, kon ik al lezen, schrijven en rekenen als de beste. In de eerste 3 klassen van de Lagere School, hoefde ik nauwelijks wat te leren.
Met als gevolg, dat ik erg lui werd. De 4e klas moest ik daarom nog maar een jaartje overdoen.

Enkele leerkrachten van de Openbare L.S – B. onder de mangobomen.
(v.l.n.r. dhr. Kalanit, mw. Jacguard, mw. Lekransy (mijn moeder), dhr Geertsema, dhr. Jansen aan de Weg en mw. Pelamonia.)

Nederlandse leerkrachten
In deze klas maakte ik kennis met de Nederlandse taal. Halverwege jaren 50, kwamen veel Nederlands sprekenden in Merauke wonen. Samen met hun ook Nederlandse onderwijzers, waardoor mijn moeder de leiding van onze school moest afstaan aan een Nederlandse leerkracht. (Immers Nederlandse leerkrachten mochten niet onder een inlandse onderwijzeres werken !)

Met de komst van de Nederlandse leerkrachten, kregen we een nieuwe vak erbij: de Nederlandse taal, daarnaast werd er meer aandacht besteed aan tekenen en sport.
Er werden zelfs schoolvoetbaltoernooien georganiseerd, waar onze school er aan meedeed.
Ik zat ook in het schoolvoetbalteam, dat goed was voor een 2e plaats. Meester Jansen aan de Weg, die in zijn vrije tijd een begenadigde amateur tekenaar (-schilder) was, stimuleerde de kinderen voor zijn hobby. De klaslokalen hingen vol met grote tekeningen van de heer Jansen aan de Weg. Op enkele muren van sommige klassen, tekenden de kinderen van de hogere klassen de bijzondere fauna van Ned. Nieuw-Guinea: paradijsvogels, kroonduiven en kasuarissen.

Het schoolvoetbalteam (second best of 1958)

(v.l.n.r. achterste rij: Atus Hitijahubessy, Annis Lekransy, Mardjani Wagimin, Willem…, Pieter …. Melianus. Voorste rij: Ais Reawaruw, Willem Lekahena, Derek Pelamonia , Sjaak Boera, Untung Raba , Chris Tehupuring. Liggend: Piet Tohata.)

Schoolmelk
In de 5e en 6e klas kregen we schoolmelk. De school kreeg poedermelk toegestuurd van Unicef (United Nations International Childeren’s Emergency Fund)**. De grote kinderen uit de hogere klassen moesten de poedermelk in grote teilen met water aanlengen. We moesten ieder een eigen beker of een pindakaaspotje van huis meenemen waaruit je de melk kon drinken. De bekers werden altijd rijkelijk gevuld en onder toezicht moest je ter plekke je beker leegdrinken, voordat je weg mocht.
Voor sommige kinderen was dat een ware ramp, immers bijna niemand dronk thuis melk. Er was zelfs een meisje dat flauw viel.

** Unicef is opgericht na de Tweede wereldoorlog als organisatie die het welzijn van kinderen probeert te verbeteren. Dit ‘schoolmelk’ project was één van de vele Unicef-projecten.

Mijn laatste jaren op de Lagere School verliep voorspoedig.
Wat nu, na de Lagere school?  In Merauke had men toen geen andere vervolgopleiding. Je kon na je Lagere school gaan werken. Op je 13e of 14e jaar gaan werken ? De baantjes lagen niet voor het oprapen…
Sommige kinderen gingen naar Fak Fak op de OVVO. (Opleiding Voor Volks Onderwijzer) om opgeleid te worden tot Volksonderwijzer. Anderen weer, naar de Primaire Middelbare School in Hollandia (Kota Radja).

Experiment RK-MULO
In 1958 startte de Rooms Katholieke-Missie in Merauke een experiment RK-MULO. (Meer Uitgebreid Lager Onderwijs). De leerlingen werden geselecteerd uit de kinderen van de Openbare LS A (Europese LS), Openbare LS B(Maleise LS) en Rooms Katholieke LS.

Om toegelaten te worden, kregen we (de leerlingen van de 6e klas OLS B -) een jaar lang extra Nederlandse les. Het niveau van deze MULO moest gelijk zijn aan die in Nederland.
De lessen begonnen pas in de middaguren, daar de leerkrachten eerst les moesten geven op de Lagere Scholen.

V.l.n.r. staand: Evie Tatipikalawan, Lena Hitijahubessy, Jang Jing Oe (Suzy), Juffrouw F.M.Sleegers, Donny van der Waarden, Frans Yosef Effruan, Bram Reawaruw, Chris Fofied, Annis Lekransy, Gerard Meteray, Pascalis Fau’ubun, Marsidi Sukir.
Voorste rij: Maria Maturbongs, Johanna Lefaan, Elly van de Weyer, Angeline Ngarbingan, Jack Johan, Chris Tehupuring en Jack Werediti.
Niet op de foto: Eddy Moorrees, Peter (schreef linkshandig) en Vitalis Futunanembun.

Het was een unieke klas, de leerlingen kwamen uit verschillende Lagere Scholen met verschillende achtergronden. Europese-, Ambonese-, Keiese-, Javaanse-, Chinese-, Protestantse- en Rooms Katholieke kinderen samen in een klas. Immers in de koloniale tijd waren de onderlinge verschillen extra aangedikt.
Over een jaar werd dan bekeken of de MULO haar voortgang kon krijgen.
Helaas een jaartje later kregen we te horen dat de school geen subsidie en toestemming kreeg om door te gaan.

Hiermee eindigde dit experiment maar het begin van een unieke vriendschapsband tussen deze leerlingen. Anno 2014 (na 55 jaren) hebben deze klasgenoten nog regelmatig contact met elkaar ook met hen, die in 1962 niet naar Nederland waren gekomen.

Naar startpagina

Mijn herinneringen aan Merauke [2] (Voormalige Ned. Nw-Guinea – nu Papua)

Uit: Een noken vol herinneringen

Dit is één van mijn vele herinneringen aan Merauke… het stuk hieronder gaat over hoe we in Muli woonden. Muli is een dorpje, dat op ongeveer 5 km van Merauke ligt.

Hereniging van het gezin.
Toen we in 1948 vanuit Ambon in Merauke kwamen, werkte mijn vader als zendeling in het binnenland van Zuid Ned. Nieuw-Guinea. In het begin van de vijftiger jaren werd hij overgeplaatst naar het dorpje Muli. Muli ligt op ongeveer 5 km van Merauke. Tot die tijd woonden we in een huurhuis in de wijk Kampong Ambon in Merauke.

Wat waren we toen blij dat hij weer thuis kwam, het gezin werd herenigd. Het nadeel van deze verhuizing was, dat we elke dag naar school moesten lopen (5 km). Openbaar vervoer bestond toen niet. Zo nu en dan konden we mee rijden achter in de lege bak van een zandwagen. Misschien was hier mijn liefde voor de wandelsport begonnen

Wonen in Muli – het diensthuis
In Muli stelde de MPK (Molukse Protestantse Kerk) ons een ‘diensthuis’ ter beschikking. Het huis was nog niet helemaal afgebouwd toen we al introkken. Op een betonnen vloer van een afgebroken loods uit de 2e wereldoorlog, werd het huis opgezet. De muren waren van gaba-gaba (bladnerven van sagopalm) en het dak van atap (bladeren van sagopalm). Heel eenvoudig, maar effectief in het huis was overdag erg koel.

Fluitorkest vervolgschool Muli startklaar om de koninginnedag te vieren.
Daarachter, het diensthuis in aanbouw. De jongen vooraan, die zijn linker hand
op de fietswiel legt, ben ik. Mijn vader in zijn witte pak, mijn moeder met haar witte kebaja onder de vlag.

Ongenodigde gasten
Achter het huis was een moerasgebied, het territorium van de oer-bewoners van Zuid Nieuw-Guinea : de muskieten. Zodra het donker werd trok het leger er op uit om ons met hun komst te verblijden. Hoe hielden we ze buiten het huis, de kleinste kier, was voor hun een poort naar het paradijs. Om ze niet al te gemakkelijk te maken, zetten we voor de deuren vuurkorven, die voor veel rook moesten zorgen. Daarvoor legden we bepaald soort plant op het vuur. Letterlijk een rookgordijn voor de deuren plaatsen. De veiligste plaats in het huis was onder de klamboe in bed. Zelfs het nakijken van huiswerk door mijn moeder, gebeurde in bed onder de klamboe in het licht van een ‘visserslamp’. Elektriciteit-licht was er immers niet. Daarom gingen we altijd samen met de kippen op stok..

Nieuw huis
Een paar jaren later kocht mijn vader ‘stuk’ land (ook in Muli). Op dat land stond reeds een huis. Het was een traditioneel huis, de muren waren van gaba-gaba gemaakt en het dak van atap. Dat huis hadden we later beschikbaar gesteld aan de RMS (Republik Maluku Selatan)- missie-militairen, toen ze uit Seram in Merauke kwamen.
Totdat ze in 1962 naar Nederland vertrokken, woonden ze in dat huis..

Een fragment uit het boek Andere verhalen over de militaire missie van 1956: “Toen we uit de kazerne kwamen, waren we helemaal vrij. We moesten zelf een huis zoeken, dat was moeilijk. We hebben met z’n vijven geslapen in het huis van dominee Lekransy. Daar hebben we gezeten tot we hier (Nederland) kwamen.

Mijn moeder en ik voor het diensthuis.

Voor mij een heel leuke en leerzame tijd. Als ik van school kwam, hielp ik mee met de bouw van ons huis. Ik leerde timmeren, beton storten, bakstenen maken enz. daarnaast hielp ik met allerlei klusjes rondom het huis.

(Huis-) dieren rondom het huis
We hadden een ren vol kippen en hanen, die elke dag gevoederd moesten worden. Zij zorgden dat we regelmatig verse eieren in huis hadden. Niet te vergeten onze vijf paarden. De paarden liepen vrij rond op het terrein. Op een terrein van ongeveer 50 meter breed en 1 kilometer lang, konden de paarden overal grazen. Mijn taak was ze één keer per dag naar de waterput te drijven om ze te drenken.

Soms leek het bij ons op een dierentuin… huisdieren genoeg 2 katten en drie honden, een kangoeroe, die in de tuin rond huppelden en hertje, die we gevangen hadden toen de moeder bij het jagen gedood was en …. mijn witte muizen…ik had er ongeveer zestig van. Voor de witte muizen timmerde ik een mooie grote hok, waarin ze genoeg ruimte hadden om te kunnen rennen …

Nog meer dieren
En dat was nog niet alles, we hielden naast al deze dieren, ook varkens en koeien.De varkens, eigenlijk zwijnen, leefden in een stal, die regelmatig schoongemaakt moest worden. Het moest ook niet al te schoon zijn, want immers, vieze varkens worden vet en dat wilden we ook. De varkens, kippen waren bestemd voor onze consumptie. Twee keren per dag moesten ze gevoederd worden. Dat deed mijn vader en ik samen. Restant eten kookten we samen met wilde caladium (knolgewas – Ind. keladi) voorde varkens. Daarnaast wroetten ze met hun slagtanden en hun wroetschijf in de grond op zoek naar wortels, wormen eigenlijk naar alles wat voor hun eetbaar was.

En als een van de varkens jongen, werden de jonge reuen gecastreerd, zodat ze snel groot en vet werden. De castratie (verwijderen van de teelballen), zal ik maar niet beschrijven, het wordt anders bloedig verhaal.

Ons nieuw huis

Baba Anam Tjong
Onze koeien (15) werden gelukkig uit besteed, wat betekende dat ze met de kudde vaneen Chinees (Baba Anam Tjong) meegraasden en door hem worden verzorgd.
Hij had hiervoor iemand in dienst genomen om zijn kudde te hoeden.
Note: ‘De kinderen uit de huwelijken van Maleiers met Chinezen worden Baba’s (m) en Nyonya’s (v)genoemd.
Bij deze Baba, die ook een winkel had, waren we vaste klant. Alles wat we nodig hadden, kochten we op de pof bij hem. ‘Kopen op de pof wilt zeggen, dat alles wat je meeneemt, genoteerd wordt en aan het einde van de maand pas betaald wordt’.
Op de pof kopen was toen gebruikelijk in Azië. Wederzijdse vertrouwen speelden hierbij een belangrijke rol. Met onze koeien als onderpand was dat natuurlijk geen probleem. Daarnaast gaf mijn vader zijn kinderen extra Maleise les. Toen we in 1962 naar Nederland vertrokken, had de Baba de koeien ‘voor een appel en een ei’ overgenomen.

In 1959 ging ik naar Hollandia (nu Jayapura) om naar school te gaan en kwam alleen thuis tijdens de grote-vakantie. Hiermee kwam een einde aan mijn mooie tijd thuis in Muli.

Naar startpagina

Oud en Nieuw op Scheveningen 1954-1955

Herinneringen van Ton Knoester.
Ton ken ik al meer dan 40 jaar. Ik zou hem tekort doen als ik hem als een kennis of een vriend betitel. Ton is beslist meer dan da
t. Ton is een van ons: een familielid. Vanaf 1965 was Ton min of meer kind in huis in de familie. Samen monopoly spelen, muziek maken en dan, dan moet hij altijd iets hebben om op te trommelen. Op de trommel slaan, ja, dat is zijn passie (nog steeds).

Tons herinnering over Oud en Nieuw speelt zich af in de Badhuisstraat in Scheveningen, waar hij en zijn familie toen woonden.

Op de radio Wim Kan en een spelletje Mens Erger Je Niet met tante Ies en oom Willem.
Mamma had weer heerlijke oliebollen gebakken met speciale mix van Frisia en slaolie van Calvé.
Twaalf uur, het dankgebed, kussen en knuffels. Dan sterretjes afsteken in keuken of portiek. Tante Ies nam nog een glaasje advocaat en oom Willem een sigaar en een jonge jenever.Bij Joosse gingen dozen vuurwerk de lucht in.
Zevenklappers en gillende keukenmeiden schoten over straat richting de Lammers Stichting of naar de Vijzelstraat en Lamers Herenkleding.

Geld in kinderhanden op Nieuwjaarsdag.
Teunen kregen iets meer van oma en tante Mien, maar lispelde oma Knoester: je ..oud je ..oofd ..oor.
Mijn broertje telde twee gulden minder en dacht: “een tante, oom gemist, wat jammer”, maar ik zweeg met oma’s stem nog in mijn oor.
Het geld werd omgezet in nieuwe Dinky Toys.
We speelden dagenlang met Jan van tante Sien in straten van blokken, de echte wereld na.
Totdat de school ontwaakte uit haar Kerst slaap en we na “In mensen een Welbehagen” weer leerden hoe oorlogen de geschiedenis bepaalden.
Ons trof geen blaam, volgens de meester, maar ‘het mocht nooit meer gebeuren’, zeiden de Koningin, de minister en zelfs de generaal.

Vanuit liefde, respect en compassie voor elkaar en Duitsers dan, dacht ik of Jappen en de Russen, kun je daar ook van houden?
‘Laat alle mensen de boodschap van Kerst beleven, zoals een kleine jongen van acht’. vroeg ik het Kerstkind in mijn avondgebedje.

Naar startpagina

Onvergetelijke boottocht (van Ambon naar Banda)

Uit: Een noken vol herinneringen

Medio juli 1995 maakten we met onze dochters, bevriend echtpaar, neef, nicht en hun vrienden (totaal met 10 personen) een reis naar Indonesië.
Vanuit Jakarta bezochten we Bandung, Ciater, warm water bronnen en Tangkuban perahu (omgekeerde prauw), een actieve vulkaan. Na een week West Java, vlogen we naar de Molukken, waar we twee weken verbleven.
De laatste week in de voormalige Gordel van Smaragd brachten we door in Kuta (Bali), om te genieten van de zon, strand, zee, lekker eten en de massages.
Op de Molukken logeerden we bij nicht Mila op Ambon en van hieruit maakten we tochten naar verschillende eilanden op de Molukken.

KM Renjani van Pelni foto© Ahiolo

Naar de Banda eilanden
De dag voordat de KM Renjani van Pelni (Pelayaran Nasional Indonesia), de haven van Ambon binnen voer, hadden we in een lokale reisbureau onze tickets gekocht voor een boottocht naar Banda.
Een bootreis van zes uren in een “love boat”, dat is een geweldig vooruitzicht. Economy class ticket leek ons goed genoeg voor zo’n korte trip. Vanuit Jakarta had neef Utha zijn business-vriend in Ambon gebeld om voor onze komst, in Banda te zijn en onderkomen te regelen.
Gelukkig ook, want een logeeradres voor 10 personen is niet in een uur te regelen. Vanuit Ambon ging neef Buang met ons mee om oogje in het zeil te houden.

Toen we de kade van ‘pangkalan’ (haven) Ambon op liepen, was het daar een drukte van jewelste. Honderden mensen, stapels dozen vastgebonden met touwen, koffers enz…
De bagages worden in Indonesië vaak in dozen verpakt. Bij de eerste sein moesten we aan boord. De passagiers proberen zo snel mogelijk aan boort te zijn om een (zit) plaatsje te bemachtigen, immers de economy class-tickets kent geen besproken plaats. Wie het eerst komt, die het eerst maalt.

Pangkalan pelabuhan Ambon (kade van de haven op Ambon) Foto © Ahiolo

Boarding
Dringend, duwend en trekkend bewoog de massa zich richting de ingang, terwijl de ingehuurde bagage-kruiers, de dozen aan boord droegen en via dezelfde weg, wringend terug naar de kade.
Het was zeker geen ‘love boat’ eerder een scene uit een oorlogsfilm, waarin men op vlucht waren en met de laatste boot mee moest. Wat een drama, huilende kinderen die met de massa waren meegesleurd terwijl de ouders enkele meters achter ze waren.
Dit, hadden we zeker niet verwacht, ook de meisjes begonnen te huilen. Door met mijn rugzak heen en weer te zwaaien, hield ik mensen op een afstand.

“Beta pung tas (mijn tas)” riep een meisje voor me. Ze werd vooruit geduwd terwijl haar arm met haar tas klem zat tussen de mensen. “nona, lapas jua, nanti om bawa!” (Laat je tas maar los, oom neem het wel voor je mee!)
Ik nam haar tas over, maakte me breed en wrong langzaam naar de ingang, achter mij de rest van ons gezelschap.
50 meter verder op, bij een andere ingang, liepen de andere passagiers heel relax de trap op om in te checken. De passagiers van de 4e tot en met de 1e klasse hebben nl. aparte ingang.
Ik kreeg gelijk spijt van dat ik economy class ticket had gekocht.

‘Vechten’ om een plaats
Eenmaal aan boord begon het gevecht om een zitplaats. Op elke vrije ruimte zelfs op de gangpaden zitten of liggen mensen op matten, omringd door grote hoeveelheid bagage.
Eindelijk vonden we op de grond een plek waar we met zijn allen konden zitten. De reden van dit alles is dat de maatschappij 3 of misschien zelfs 4 maal zoveel economy class-tickets verkoopt dan aantal beschikbare plaatsen.
Ticket 4e klasse geeft recht op een plaats in een kajuit met 8 mannen of 8 vrouwen.
3e klasse, een plaats in een kajuit met 6 mannen of 6 vrouwen.
Alleen in het 1e klasse, 2 persoons-kajuit is een koppel toegestaan. De boot had inmiddels het anker gelicht en voer de haven van Ambon uit. Van uitzicht op de haven konden we helaas niet zien.
De deuren van de economy class werden gesloten, om zodoende de ticketscontrole te kunnen doen.

De tijd overbruggen met.... Foto © Ahiolo

Economy class
Economy class is niet meer dan een plek op het binnendek, waar men op een ‘tikar’ gevlochten matje kan zitten of liggen.
Eénmaal een plek gevonden, leek het of men zich berust in de situatie, er viel natuurlijk weinig aan te veranderen. De passagiers spraken of speelden kaart met elkaar.
Onze groep wekte veel belangstelling van de Indonesiërs. Immers 4 van ons zijn blank. In gebroken Engels probeerden de Indonesiërs met onze blanke vrienden te communiceren.
Op de televisie, die aan de muur hangt, werd een voetbalwedstrijd uitgezonden.
Een Europacupwedstrijd tussen Ierland en Denemarken.
Toen ze wisten, dat we uit Nederland kwamen, werden al gauw de Molukse- Nederlandse voetbalsterren geroemd: Simon Tahamata, Giovanni Van Bronkhorst. Er heerste een gezellige sfeer. Wel een heel aparte ervaring om ook zo te reizen, samen met het ‘gewone’ volk.

Het ‘love boat’ gevoel
Na de ticketscontrole konden we het buitendek op en genoten van de mooie Amboina baai.
We voeren de Bandazee op, een randzee van de Grote Oceaan, gelegen tussen Celebes in het westen, de Molukken in het noorden en Timor in het zuiden. De diepste zee ter wereld.
Heel in de verte zwom een school dolfijnen ongestoord. Van ons hadden ze geen last.
Genietend van de zon, frisse wind en een drankje, kregen we toch nog een ‘love boat’ gevoel.
Het gevoel van onbehagen maakte langzamerhand plaats voor vrolijkheid en blijheid.

Het 'love boat' gevoel

Aankomst
Na ongeveer zes uren varen daagde voor ons het vulkaaneiland Gunung Api (letterlijk vertaald Vuur berg) dat tot de Banda eilanden behoort.
De Banda-eilanden bestaan uit Banda Neira, Lontor (Banda besar), Pulau Ai, Pulau Run, het vulkaaneiland Gunung Api en enkele kleine eilandjes.
Dit beeld heb ik altijd in mijn herinneringen als we over Banda hebben. Onderweg van Ambon naar Merauke (voormalige Ned. Nw-Guinea) in 1948, hadden we ook Banda aangedaan.
De Gunung Api werd steeds groter en groter toen we de Banda eiland naderden. Toen de KM Renjani om de baai voer zagen we de haven van Neira voor ons. De kade was druk bevolkt met mensen die hun familie, vrienden kwamen ophalen of uitzwaaien, of misschien zelf met de boot mee wilden.
Hier eindigde onze onvergetelijke boottocht naar de eens, zo beroemde VOC eilanden van nootmuskaat en foelie.

De Gunung Api in de verte.....

Naar Startpagina

Schoolvakantie in de Gordel van Smaragd

Uit: Een noken vol herinneringen

De Nederlandse vakantiegangers, die met de auto naar buitenland gingen, werden door de ANWB gewaarschuwd om op zaterdag 28 juli de Franse wegen te mijden.
Deze zaterdag wordt ‘zwarte zaterdag’ genoemd. Zwart is de kleur die door de organisatie Bison Futé wordt toegewezen aan dagen waarop het verkeer erg druk is. Honderden kilometers files richting de zonnige zuiden. Miljoenen mensen verplaatsen zich in de zomer. Binnen Europa zijn er géén grenzen meer. Iedereen gaat op vakantie het liefst zover mogelijk. Vrienden en bekenden waaien wekenlang uit naar alle hoeken van de wereld: Bali, China, Australië of Verenigde Staten van Amerika…….

Files waren anno 1955 in Merauke, op de voormalige Ned. Nw-Guinea, helemaal niet. Op de ongeasfalteerde wegen van het stadje reden slechts een paar auto’s rond. Ik was toen 11 jaar. Net als in alle Nederlandse koloniën, waren de scholen in de maanden juli en augustus dicht.
Het verschil met Nederland was, dat men daar nooit ‘op vakantie’ gaat. Gebrek aan geld en de voorzieningen ervoor waren er niet. De hele schoolvakantie bleef je thuis.
Alleen de Nederlanders in Rijksbetrekking mochten eens in de zoveel tijd, op kosten van de regering, met groot verlof naar Nederland.
Omdat mijn vader en moeder bij het onderwijs zaten, waren zij allebei thuis. Alleen op zondagen, en eventueel in de avonduren had mijn vader nog werkzaamheden als predikant, die hij voor zijn gemeente moest doen.
Deze vrije dagen werden dan ook benut om allerlei klussen in en om het huis te klaren. Bij ons thuis moest iedereen een handje helpen.

Mijn tuintje
Zelf had ik een eigen tuintje van ongeveer 50 vierkante meter.
Tuinieren, behoorde tot één van de vaardigheden, die wij als padvinders moesten beheersen. Ik was toen gids bij de welpen.
In mijn tuin was ik vaak te vinden. Ik plantte behalve bloemen ook verschillende soorten groenten zoals aubergine, tomaten en diverse soorten kolen.
Voor de afwisseling plantte ik ook cassave, zoete aardappelen en aardnoten.
Mijn vader zei dat het goed was voor de grond.
Omdat het altijd warm en droog was, gaf ik de planten in de namiddag water.
Dat was wel intensief werk. Ik moest eerst het water ‘putten’ met een emmer, waar aan een touw was vastgemaakt. Het water naar de tuin brengen en de planten met een gieter besproeien. Tuinslang bestond toen (daar) nog niet.
Steeds weer herhalen totdat al de planten genoeg water kregen.

Mijn moeder en ik in mijn tuin, tussen de tomatenplanten.

Mee op jacht
Soms vroeg mijn vader mij of ik mee ging op jacht. Een Timorese jongen Abner Ndoen, die bij ons woonde mocht ook mee. Abner is ongeveer even oud als ik. Dan was het voor ons, feest. Meegaan op jacht …. wat een avontuur, wie zou zo’n aanbod afslaan.Mijn vader had een dubbelloopsgeweer. Behalve de kogels en hagels kon hij de patroonhuizen, buskruit, viltproppen en slaghoedjes bij een toko *** kopen.

De kogels moesten wij zelf maken. Ze werden van lood gemaakt. Bij het omploegen van onze tuin hadden wij in de grond, loden telefoonleiding uit de 2e WO gevonden.

De Australiërs hadden deze leidingen toen aangelegd en na de oorlog waren zij blijven liggen.
Tientallen meters hadden wij opgegraven en kwamen nu goed van pas.
De gesmolten lood werd gegoten in 20 cm lange ronde bamboe-mal met een doorsnede van ca. 1 cm. Als mal namen we een bamboesoort, die ook gebruikt werd voor het maken van bamboe fluit.

De bamboe werd later open gespleten en de lange loden staafje van ca. 25 cm sneden we in kleine stukken. Met een hamertje tikten we de kleine stukken lood tot ronde kogels.
Het patroonhuis kon dan gevuld worden. De buskruit ging als eerst in het patroonhuis daarna de kogels. Deze stevig aandrukken en dicht stoppen met een viltprop.
Als laatste werd het slaghoedje aan de onderkant van het patroon geplaatst…. voila  klaar voor het gebruik.

Voor eendenjacht, vulden we de patroonhuizen met hagels (veel kleiner dan de kogels, wel lastig om te maken).

In de maanden juli en augustus was het het jachtseizoen voor herten open.
Bij de toko kochten we de voorraad eten voor 4 dagen en speciale zout in.
Voorraad eten bestond uit rijst, suiker en thee. Het speciale zout is bestemd om het vlees mee te verwerken zodat het langer houdbaar blijft.

*** toko is een (meestal) chinees winkel, waar men van alles en nog wat kan kopen.
Men kon ook op de ‘pof’ kopen. Dat betekent dat alles wat je koopt genoteerd wordt en eens per maand kan je de rekening betalen.

Abner en ik haalden de paarden van het weiland en maakten ze rijklaar. Ieder, een eigen paard.
We hadden thuis 5 paarden. Eén van mijn taken was het verzorgen van paarden.
De paarden liepen los op ons terrein, dat met prikkeldraad was omheind. Een paar keren per dag dreef ik de paarden naar de put om ze te drenken.

Na een paar uren rijden kwamen we in het jachtgebied.
Het landschap in het zuidelijk deel van Nw-Guinea is vlak, half regenwoud half laagland-savanne.

De savannebegroeïng zijn o.a. Australisch gras (microlaena stipoides), acacias- en eucalyptusbomen. Bij de overgang van laaglandsavanne naar tropisch regenwoud zijn vaak de ideale plaatsen om te kamperen.
We zochten een plek in de buurt waar bamboeplanten groeiden want daar was het meestal ook water. We namen natuurlijk wat drinkwater mee.
Maar in geval van nood, kunnen wij het water, dat in de bamboe tussen de schotten bevinden ook drinken.

Door de aanwezigheid van water is de grond vaak zacht, een ideale plaats voor de wilde zwijnen om voedsel te zoeken. De jonge bamboespruiten zijn behalve voor de mens, ook een lekkernij voor de zwijnen.

Met bamboes en (bamboe)bladeren maakten we een hutje en onze slaapplaatsen.
Heel vroeg in de ochtend, een paar uren voordat de zon opkwam, pakte mijn vader zijn geweer en zaklantaarn, waarin zes batterijen in zaten en sloop geruisloos weg.
Abner en ik bleven alleen en probeerden te slapen, wat ons in het begin niet lukte.

Het was pikdonker in het bos, het geritsel van de bamboe-bladeren door de wind en onbekende dieren- geluiden brachten ons tot wilde, enge fantasieën….. “Stil blijven liggen” zeiden we en kropen dicht tegen elkaar aan.

Een paar uren voordat de zon opkwam, ontwaakte het oerwoud.
Dan kwamen de dieren uit hun slaap en begonnen met hun missie: ‘eten zoeken’.
De vogels zongen…… het ene lied beantwoordde het andere, naar mate het lichter werd, werd het drukker. Tussen het 50 cm hoge Australisch gras zagen we twee kangoeroes naar elkaar toe huppelen. Ze gaven elkaar de korte voorpoten en sprongen in het rond alsof ze een dansje deden.

De ochtendlucht rook fris en bevatte veel zuurstof. …. we stonden op, rekten ons uit en haalden diep adem….
Plotseling klonk een schot! en dan … nog één!…Dat moet van mijn vader zijn.
We renden op het geluid af. Ja, daar liep hij, tussen de bomen. Op zijn rug, aan het gewei te zien, is het een hert. De hinde echter hebben geen gewei.

Op ons kamp werd het hert aan een laaghangend tak van een boom gehangen.
En het werk kan beginnen. Eerst villen, daarna uitbenen. Het vlees legden we op de werktafel, die we van bamboe maakten (para-para). Met een vlijmscherp mes sneden we het vlees in dunne plakken.
We smeerden de plakken in met speciale zout en legden op een andere para-para uit, om in de zon te drogen. Dit is een manier om vlees te kunnen bewaren in de tropen.
Regelmatig, moesten we het vlees omdraaien om te zorgen, dat aan beide kanten goed droog werd.
Gedroogd vlees noemt men: dendeng. Men kan het vlees ook bewerken met speciale suiker en kruiden o.a. komijn, dendeng manis (=zoet).

Het bewaken van het vlees was een serieuze taak want er waren genoeg kapers in de buurt. Vanuit de nabije boom gluurden raven naar de lekkernijen.
Natuurlijk gaven we de vogels geen kans om in de buurt van de para-para te komen.
Met onze zelf gemaakte pijl en boog hielden wij ze op afstand, alsof ons leven ervan af hingen.

Na enkele dagen hard werken, was het tijd om naar huis te gaan. Twee jutezakken vol met gedroogd vlees was onze buit. Genoeg vlees voor enkele maanden.
Als men gedroogd vlees wilt bereiden, weekte men eerst in warm water, waardoor het wat zachter wordt en dan pas klaarmaken.

Kota Rusa
Merauke, Zuidelijk deel van nu Papua is een gebied dat rijk is aan wild. Wilde zwijnen en kangoeroes en kasuarissen behoren tot de oorspronkelijke bewoners. De herten waren begin 20ste eeuw uitgezet. Omdat in Nieuw-Guinea geen wilde dieren leven, die voor de herten een bedreiging zijn, kunnen deze in een zeer korte tijd goed gedijen.

De stad Merauke werd daarom ook genoemd “Kota Rusa” (Stad van de herten).

Naar Startpagina